HvJ EG (nr. C-562/07: Spaanse vermogenswinstbelasting in strijd met EU-recht)

Authors
  • W.W. Monteiro
Publication date 2009
Journal NTFR. Nederlands Tijdschrift voor Fiscaal Recht
Article number 2221
Volume | Issue number 2009 | 43
Pages (from-to) 41-48
Organisations
  • Faculty of Law (FdR) - Amsterdam Center for Tax Law (ACTL)
Abstract
Op grond van de tot 31 december 2006 geldende Spaanse belastingwetgeving werd over de vermogenswinst van niet-ingezetenen belasting met een tarief van 35% geheven, terwijl voor die van de ingezetenen een progressief tarief gold indien de vermogensbestanddelen minder dan een jaar in hun bezit bleven, en een tarief van 15% indien die periode meer dan een jaar bedroeg. Gevolg was dat de fiscale last van de niet-ingezetenen steeds groter werd indien zij hun goederen een jaar na de verwerving ervan verkochten. Indien de goederen binnen een jaar na de verwerving ervan werden vervreemd, was de fiscale druk voor de niet-ingezetenen ook groter, behalve wanneer het op de ingezeten belastingplichtigen toegepaste gemiddelde tarief meer dan 35% bedroeg (wat een zeer aanzienlijke vermogenswinst zou betekenen). De Europese Commissie is tegen Spanje een inbreukprocedure gestart, omdat Spanje zijn wetgeving pas na afloop van de in het met redenen omklede advies gestelde termijn heeft aangepast. Volgens de Commissie bestaat er geen objectief verschil tussen de situatie van de twee categorieën van belastingplichtigen, zodat de grotere fiscale druk voor de niet-ingezetenen discriminatie oplevert waardoor het vrije kapitaalverkeer als bedoeld in art. 56 EG onrechtmatig wordt beperkt.
Het Hof van Justitie EG is in de eerste plaats van mening dat het beroep van de Commissie ontvankelijk moet worden verklaard. Spanje betwistte de ontvankelijkheid van de Commissie en meende dat de Commissie het vertrouwensbeginsel, het beginsel van loyale samenwerking met de lidstaten en het rechtszekerheidsbeginsel had geschonden en misbruik van bevoegdheden had gemaakt. In de tweede plaats staat volgens het Hof vast dat de Spaanse regeling voorzag in een verschil in behandeling van ingezetenen en niet-ingezetenen. Vervolgens onderzoekt het Hof of er tussen de situatie van ingezetenen en niet-ingezetenen een objectief verschil bestaat dat het discriminerende karakter van de regeling kan rechtvaardigen. Daarbij komt het Hof tot de conclusie dat zulks niet het geval is. De door Spanje aangevoerde argumenten (het arrest Gerritse, de met andere lidstaten gesloten verdragen ter voorkoming van dubbele belasting waardoor de gevolgen van de Spaanse belasting zouden worden geneutraliseerd en de noodzaak de samenhang van het belastingstelsel te bewaren) werden door het Hof verworpen.
Document type Case note
Language Dutch
Published at
Permalink to this page
Back