Van concessie naar gemeente-exploitatie Nutsvoorzieningen in Amsterdam 1878–1914
| Authors | |
|---|---|
| Supervisors | |
| Cosupervisors | |
| Award date | 14-03-2024 |
| Number of pages | 264 |
| Organisations |
|
| Abstract |
De overheidsbemoeienis met nutsvoorzieningen wordt in de internationale historiografie gekenschetst met een omgekeerde U-curve. Een groot deel van de negentiende eeuw domineerde het particulier initiatief, dat zorg droeg voor aanleg en exploitatie van deze voorzieningen. Aan het eind van de eeuw trok de overheid dit naar zich toe, maar daar kwam in de jaren zeventig en tachtig van de twintigste eeuw een einde aan.
Deze ontwikkeling is goed te volgen in Amsterdam. Als grootste gemeente van het land had de stad een voorbeeldfunctie en bij de introductie van een aantal van de nutsvoorzieningen liep Amsterdam voorop. Daar kwam bij dat er rond 1890 een progressieve liberale stroming in de stad ontstond, de radicalen, die zich als norm entrepeneurs beijverden voor het in gemeentehanden brengen van gas, water, tram, telefoon en elektriciteit. De onderzoeksvraag voor dit proefschrift is wat de motieven en argumenten van de Amsterdamse raadsleden waren om de particuliere nutsvoorzieningen te naasten en hoe ze die vervolgens in de praktijk brachten. Daarnaast wordt aandacht besteed aan de opbouw van de gemeentebedrijven en de accenten die de gemeentepolitiek daarbij legde, met name aan de groei, de tarieven en winsten en het werkgeverschap. De politiek-bestuurlijke discussie en de besluitvorming in de gemeenteraad staan daarbij steeds centraal, in combinatie met aspecten van stadsbeheer en stadstechniek: wat is er nodig om een stad in technisch opzicht te laten functioneren. |
| Document type | PhD thesis |
| Language | Dutch |
| Downloads | |
| Permalink to this page | |
