HR (zaaknr. 12/04640: cumulatief preferente aandelen vormen - hoewel de kans dat het kapitaal wordt aangesproken voor de betaling van schulden verwaarloosbaar lijkt - kapitaal voor de toepassing van art. 13 Wet VPB 1969: geen fraus legis)

Authors
Publication date 2014
Journal Fiscaal Tijdschrift FED
Article number 38
Volume | Issue number 2014 | 10
Organisations
  • Faculty of Law (FdR) - Amsterdam Center for Tax Law (ACTL)
Abstract
Voor de beantwoording van de vraag of een geldverstrekking door een moedervennootschap aan haar dochtervennootschap voor wat betreft de fiscale gevolgen als een geldlening dan wel als een kapitaalverstrekking heeft te gelden, is in beginsel de civielrechtelijke vorm beslissend. Het door aandeelhouders aan een vennootschap verschafte kapitaal is als risicodragend te beschouwen, dat wil zeggen aansprakelijk voor de schulden van de vennootschap. Dat karakter gaat niet verloren in gevallen waarin de aandeelhouder, zoals in het onderhavige geval, de mogelijkheid heeft na enkele jaren de kapitaalverschaffing aan de vennootschap te beƫindigen en die kapitaalverschaffing in een aantal opzichten - zoals wat betreft de door de geldgever te ontvangen vergoeding - gelijkenis vertoont met een geldlening. Daarom zal in geval waarin naar civielrechtelijke maatstaven beoordeeld sprake is van het verstrekken van aandelenkapitaal daarvan ook voor de toepassing van art. 13 en art. 10 jo. art. 9 van de wet worden uitgegaan. De Hoge Raad ziet geen reden tot een ander oordeel te komen indien in een zodanig geval ten tijde van de storting van het kapitaal het risico dat dit kapitaal daadwerkelijk zal worden aangesproken voor de betaling van schulden verwaarloosbaar lijkt en daardoor, in zoverre, nauwelijks verschil bestaat tussen die kapitaalstorting en het verstrekken van een geldlening. Het maken van een uitzondering op de hoofdregel afhankelijk van de mate van risico zou tot rechtsonzekerheid leiden over de vraag waar bij naamloze en besloten vennootschappen de grens moet worden getrokken tussen het verstrekken van risicodragend kapitaal en het verstrekken van een geldlening.
Het beroep op fraus legis wordt verworpen. In het systeem van de wet ligt besloten dat een belastingplichtige keuzevrijheid heeft bij de financiering van een vennootschap waarin zij deelneemt. Benutting van die keuzevrijheid vormt, mede in aanmerking genomen de strekking van de deelnemingsvrijstelling, geen handelen in strijd met doel en strekking van de wet.
Document type Case note
Language Dutch
Published at http://deeplinking.kluwer.nl/?param=00C6A6DE&cpid=WKNL-LTR-Navigator
Permalink to this page
Back