HvJ EU (C-356/11, C-357/11: O., S. / Maahanmuuttovirasto, en: Maahanmuuttovirasto / L.)
| Authors | |
|---|---|
| Publication date | 2013 |
| Journal | EHRC. European Human Right Cases |
| Article number | 51 |
| Volume | Issue number | 2013 | 3 |
| Pages (from-to) | 514-523 |
| Organisations |
|
| Abstract |
De Ghanese vrouw S. is, net als de Algerijnse vrouw L., moeder van een kind met de Finse nationaliteit uit een eerder huwelijk met een Fin, over wie zij het uitsluitende gezag heeft. Beide vrouwen beschikken over een permanente verblijfstitel in Finland. Beide vrouwen hertrouwen met een onderdaan van een derde land waarvoor op basis van het huwelijk een verblijfsvergunning wordt aangevraagd. Beiden krijgen met hun nieuwe echtgenoot een kind, dat de Ghanese respectievelijk de Algerijnse nationaliteit heeft. De Ivoriaanse echtgenoot van de Ghanese S. woont bij zijn vrouw en haar kinderen in Finland. De Algerijnse echtgenoot van de Algerijnse L. is vóór de geboorte van hun kind teruggestuurd naar Algerije en het is niet duidelijk of hij zijn kind ooit heeft ontmoet. De aanvragen voor de verblijfstitels worden in beide gevallen afgewezen omdat de echtgenoot niet over voldoende middelen van bestaan beschikt. Beide zaken komen uiteindelijk bij de hoogste bestuursrechter in Finland, die, onder verwijzing naar de zaak Zambrano (HvJ 8 maart 2011, zaak C-34/09, «EHRC» 2011/65, m.nt. Groen, «JV» 2011/146, m.nt. Boeles) prejudiciële vragen stelt over de toepassing van art. 20 VWEU.
De verwijzende rechter meent dat afwijzing van de aanvragen voor een verblijfsvergunning ertoe kan leiden dat de kinderen, die de status van Unieburger hebben, gedwongen zijn het grondgebied van de Unie te verlaten om in gezinsverband te kunnen leven, en vraagt of een dergelijk gevolg in overeenstemming is met art. 20 VWEU en of het daarbij van belang is of degene voor wie de verblijfstitel wordt aangevraagd bij zijn vrouw en het Finse kind woont. Het Hof wijst er eerst op dat het criterium van ontzegging van de voornaamste aan de status van burger van de Unie ontleende rechten, zoals aan de orde in de zaak Zambrano (reeds aangehaald), er slechts bij wijze van uitzondering toe kan leiden dat een onderdaan van een derde land als familielid van een Unieburger een verblijfsvergunning verstrekt moet worden op basis van art. 20 VWEU. Dit is het geval als de Unieburgers vanwege het niet toekennen van de verblijfsvergunning gedwongen zouden zijn het grondgebied van de Unie te verlaten. De beoordeling hiervan is aan de nationale rechter en hij dient daarbij rekening te houden met het permanent verblijfsrecht van de moeders, het ouderlijk gezag over de kinderen, de samenstelling van het gezin, en het al dan niet bestaan van een afhankelijkheidsverhouding tussen de jonge Unieburger en de onderdaan van een derde land wiens verblijfsvergunning wordt geweigerd. Het bestaan van een biologische band en het als gezin onder eenzelfde dak wonen zijn niet doorslaggevend. Vervolgens gaat het Hof in op toepasselijkheid van Gezinsherenigingsrichtlijn 2003/86/EG. Beide vrouwen zijn immers ‘gezinsherenigers’ in de zin van deze richtlijn, en hun ouderschap van een burger van de Unie sluit toepassing van de Gezinsherenigingsrichtlijn niet uit. In het kader van de richtlijn kunnen lidstaten verlangen dat de gezinshereniger (in casu de vrouwen) over stabiele en regelmatige inkomsten beschikt. Deze eis dient strikt te worden uitgelegd en mag bovendien niet worden toegepast op een wijze die afbreuk doet aan het doel van de richtlijn dan wel indruist tegen het recht op gezinsleven en zonder rekening te houden met de belangen van het kind zoals neergelegd in het Handvest van de Grondrechten van de EU. |
| Document type | Case note |
| Language | Dutch |
| Published at | http://opmaatnieuw.sdu.nl/link/JUR/EHRC/2013/51 |
| Permalink to this page | |
