HR (zaaknr. 12/03380: Erfdeel onder testamentair bewind en ouderlijk vruchtgenot in zin art. 1:253l BW; rechtsgevolgen testamentair bewind tegenover rechtsgevolgen ouderlijk vruchtgenot; bevoegdheid bewindvoerder om te bepalen dat rente-opbrengsten van bankrekening met BEM-clausule eerst bij meerderjarigheid erfgenaam opeisbaar zijn onverenigbaar met ouderlijk vruchtgenot?; burgerlijke vrucht in zin art. 3:9 lid 2 BW)
| Authors | |
|---|---|
| Publication date | 2014 |
| Journal | Nederlandse Jurisprudentie |
| Article number | 214 |
| Volume | Issue number | 2014 | 20 |
| Organisations |
|
| Abstract |
Gebruikmakend van de hem bij testament verleende bevoegdheid (vgl. art. 4:171 lid 1 BW), heeft de bewindvoerder bepaald dat de gekweekte rente uit het onder bewind gestelde vermogen pas vanaf de leeftijd van 22 jaar aan de zoon mag worden uitgekeerd. Dat brengt mee dat deze rente, evenals het vermogen zelf, tot die tijd onder het verband van het bewind blijft rusten, zodat de zoon daarover nog niet kan beschikken. Daarom moet worden aangenomen dat ook de vader daarover niet op grond van het ouderlijk vruchtgenot kan beschikken (tenzij de kantonrechter hem daartoe toestemming zou geven). Daarmee strookt dat het ouderlijk vruchtgenot de vader niet een op het onder bewind gestelde vermogen uit te oefenen vordering geeft. Deze vordering correspondeert immers niet met een in art. 4:175 lid 1, aanhef en onder b, BW bedoelde schuld. Daaraan doet niet af dat de renteopbrengsten vanaf het moment van bijschrijving op de bankrekening hebben te gelden als burgerlijke vrucht — in de zin van art. 3:9 lid 2 BW — van het aan de zoon toekomende banksaldo. Onjuist is de rechtsopvatting dat de bewindvoerder op grond van het testament niet de bevoegdheid heeft te bepalen dat de zoon de renteopbrengsten eerst bij meerderjarigheid kan opeisen, omdat deze bevoegdheid niet zou zijn te verenigen met het ouderlijk vruchtgenot van de vader, waarbij nog opmerking verdient dat de moeder de testamentaire bewindvoerder op de voet van art. 4:171 lid 1 BW de bevoegdheid heeft gegeven om te bepalen of, en zo ja in welke mate, de inkomsten uit het onder bewind gestelde vermogen aan de zoon ter beschikking worden gesteld. Door deze testamentaire bepaling worden niet de aan de bevoegdheden van de bewindvoerder in art. 4:162 en 4:171 lid 1 BW gestelde grenzen overschreden.
|
| Document type | Case note |
| Language | Dutch |
| Published at | |
| Permalink to this page | |