ABRvS (rolnummer 201204181/1/V6, ECLI:NL:RVS:2013:CA2854: Wet arbeid vreemdelingen, prioriteitgenietend aanbod, Roemenië, standstill-bepaling)
| Authors | |
|---|---|
| Publication date | 2013 |
| Journal | Jurisprudentie Vreemdelingenrecht |
| Article number | 328 |
| Volume | Issue number | 2013 | 13 |
| Pages (from-to) | 1414-1422 |
| Organisations |
|
| Abstract |
Sprake van gewijzigde uitvoeringspraktijk in strijd met standstill-bepaling en niet van gewijzigde feitelijke situatie.
Aanvragen tot het verlenen van een TWV voor het verrichten van arbeid ten behoeve van 15 Roemeense vreemdelingen zijn afgewezen. 1. Gelet op het arrest Skatteverket (18 december 2007, C-101/05) en ABRvS 2 februari 2011 («JV» 2011/175) is het aan de RvB UWV werkbedrijf (RvB) om aan te tonen dat hij geen strengere voorwaarde heeft gesteld als bedoeld in de standstill-bepaling in art. 14 van Bijlage VIl bij de Toetredingsakte Bulgarije en Roemenië. Uit de stukken, o.a. brief van Otto Workforce en AB uitzendbureau van 26 april 2011, een rapportage van 6 mei 2011 over een door LTO en het UWV WERKbedrijf uitgevoerd onderzoek naar de beschikbaarheid van prioriteitgenietend arbeidsaanbod en een door onderzoeksbureau Ecorys opgesteld rapport van 16 februari 2012 blijkt niet dat het prioriteitgenietend arbeidsaanbod daadwerkelijk reeds is toegenomen vanaf begin maart 2011, terwijl niet in geschil is dat het aantal afgegeven TWV’s vanaf dat moment significant is afgenomen. Nu de RvB aldus niet heeft aangetoond dat slechts een gewijzigde feitelijke situatie ten grondslag ligt aan de afname van het aantal afgegeven TWV’s vanaf begin maart 2011, treft de verwijzing naar het arrest Commissie tegen Duitsland (C-546/07, ve10000970) geen doel. De stelling van de RvB dat hij zijn uitvoeringspraktijk niet heeft gewijzigd, vindt geen steun in de brieven van 11 april 2011 (TK 32144, 5) en 12 mei 2011 (TK 2010/11, 29 407, nr. 126), en de brief aan de gemachtigde van werkgever van 19 april 2011 en uit de omstandigheid dat het UWV WERKbedrijf in de onder 4.3 bedoelde overgangsperiode TWV’s heeft afgegeven onder een in art. 10 Wav bedoeld voorschrift. Voormelde stelling vindt ook geen steun in de "Rapportage plan van aanpak seizoenarbeid 2010 in de agrarische sector en vervolgaanpak in 2011", waarin de minister de wens heeft geuit om in 2011 een halvering van het aantal af te geven TWV’s tot 1.300 te realiseren. Dat het dossier enige grond biedt voor het door de RvB ingenomen standpunt dat ten tijde van de aanvragen bij werkgever weerstand bestond tegen het aanwenden van prioriteitgenietend arbeidsaanbod, laat onverlet dat, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen en in aanmerking genomen de op de RvB rustende bewijslast, de RvB niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat de afwijzing van de aanvragen niet in strijd is met de standstill-bepaling. 2. De RvB betoogt dat werkgever in 2011 onvoldoende inspanningen heeft verricht als bedoeld in art. 9 lid 1 sub a Wav, terwijl de RvB deze inspanningen bij eerdere door werkgever ingediende aanvragen voldoende heeft geacht. De RvB voert daartoe aan dat het verschil met de eerdere aanvragen is gelegen in de toename van het prioriteitgenietend arbeidsaanbod. Dit betoog faalt gelet op het eerder overwogene. |
| Document type | Case note |
| Language | Dutch |
| Published at | http://opmaatnieuw.sdu.nl/opmaat/show.do?type=jurt&key=J78389 |
| Permalink to this page | |
