HR (zaaknummer 12/05691: Warnaar/Wubben c.s.)

Authors
Publication date 2015
Journal Nederlandse Jurisprudentie
Article number 335
Volume | Issue number 2015 | 37/38
Pages (from-to) 4111-4129
Organisations
  • Faculty of Law (FdR)
Abstract
Het gaat in deze zaak in cassatie om de vraag of de mede-eigenaar van een stuk grond zonder instemming van de overige mede-eigenaren bevoegd is te beschikken over zijn aandeel in een gedeelte van dat stuk grond en om de vraag of uitsluitend de deelgenoten tezamen bevoegd zijn tot de voor de vervreemding vereiste ‘afsplitsing’ van het desbetreffende gedeelte van het stuk grond van het grotere geheel.

Art. 3:170 lid 3 BW bepaalt dat uitsluitend de deelgenoten tezamen bevoegd zijn tot andere handelingen betreffende een gemeenschappelijk goed dan de handelingen die worden vermeld in de leden 1 en 2 van deze bepaling. Blijkens de parlementaire geschiedenis ziet lid 3 van deze bepaling op beschikkingshandelingen die geen beheersdaden zijn (vgl. Parl. Gesch. Boek 3, p. 581 en 589). Art. 3:175 lid 1 BW bepaalt dat ieder van de deelgenoten over zijn aandeel in een gemeenschappelijk goed kan beschikken, tenzij uit de rechtsverhouding tussen de deelgenoten anders voortvloeit. Deze bepaling bestrijkt ingevolge art. 3:166 lid 1 BW zowel het geval dat de gemeenschap slechts één goed omvat, als het geval dat de gemeenschap uit meer dan een goed bestaat. In laatstgenoemd geval kan iedere deelgenoot op de voet van art. 3:175 lid 1 BW onder het aldaar genoemde voorbehoud mede over zijn aandeel in elk goed afzonderlijk beschikken (vgl. Parl. Gesch. Boek 3, p. 599). De vervreemding van een gedeelte van een gemeenschappelijk stuk grond brengt mee dat het desbetreffende gedeelte wordt afgesplitst van het grotere geheel. Anders dan het hof heeft geoordeeld, is niet vereist dat aan een dergelijke vervreemding een fysieke of juridische splitsing in gedeelten van het stuk grond voorafgaat. Wel is noodzakelijk dat het desbetreffende gedeelte ten behoeve van de vervreemding wordt aangewezen als afzonderlijke, te individualiseren zaak. Een dergelijke aanwijzing betreft het gemeenschappelijke stuk grond als geheel en dient daarom te worden aangemerkt als een handeling waartoe ingevolge art. 3:170 lid 3 BW uitsluitend de deelgenoten tezamen bevoegd zijn. Dat is niet anders in het geval dat slechts één deelgenoot op de voet van art. 3:175 lid 1 BW wenst te beschikken over zijn eigen onverdeeld aandeel in een gedeelte van een gemeenschappelijk stuk grond, nu een zodanige beschikkingshandeling niet mogelijk is zonder dat dit gedeelte door aanwijzing wordt geïndividualiseerd.
Document type Case note
Language Dutch
Published at
Permalink to this page
Back