HR (zaaknr. 12/03895: Erfrecht. Vordering erfgenaam tot terugbetaling van door erflater op rekening van derde overgemaakt geldbedrag; lening of schenking? Grenzen rechtsstrijd in hoger beroep. Hereditatis petitio (art. 4:183 BW) van toepassing in geval van innen vordering?; strekking hereditatis petitio)

Authors
Publication date 2014
Journal Nederlandse Jurisprudentie
Article number 223
Volume | Issue number 2014 | 21
Organisations
  • Faculty of Law (FdR)
Abstract
Het oordeel van het hof dat m.b.t. de door erflater op de rekening van de derde (niet-erfgenaam) gestorte bedrag, een lening het meest voor de hand ligt, strookt niet met de in appel niet bestreden vaststelling van de rechtbank dat de erflater deze derde bij leven heeft gezegd dat als hij (de erflater) niet meer zou leven, dat de derde het bedrag dan kon houden. Als het hof die vaststelling niet in zijn oordeel heeft betrokken, is het in strijd met art. 24 Rv buiten de grenzen van de rechtsstrijd getreden. Indien het hof die vaststelling wel in zijn oordeel heeft betrokken, is zijn oordeel onbegrijpelijk.
Volgens art. 4:183 BW kan een erfgenaam de goederen van de nalatenschap met inbegrip van die welke de erflater op het tijdstip van zijn overlijden voor derden hield, opvorderen van iedere derde die deze goederen zonder recht houdt. De vordering strekt ertoe een ten tijde van zijn overlijden aan de erflater toebehorend goed in de boedel terug te brengen. Van het opvorderen van goederen onder een derde is geen sprake wanneer een erfgenaam een tot de boedel behorende vordering int. Daarmee wordt immers niet een goed opgevorderd teneinde dat in de boedel terug te brengen, maar wordt betaling gevorderd van een som geld die niet meer afgescheiden en identificeerbaar bij de schuldenaar aanwezig is.
Document type Case note
Language Dutch
Published at
Permalink to this page
Back