EHRM (rolnr. 12738/10: Jeunesse tegen Nederland: Recht op gezinsleven, Uitzetting, Illegaal verblijf, Belang van het kind, Grote Kamer)
| Authors | |
|---|---|
| Publication date | 2014 |
| Journal | EHRC. European Human Right Cases |
| Article number | 262 |
| Volume | Issue number | 2014 | 12 |
| Organisations |
|
| Abstract |
Klaagster is in Paramaribo geboren en had aanvankelijk de Nederlandse nationaliteit, maar toen Suriname in 1975 onafhankelijk werd heeft zij de Surinaamse nationaliteit gekregen. In 1987 begon zij een relatie met W., eveneens met de Surinaamse nationaliteit. W. reisde in 1991 naar Nederland en kreeg in 1993 de Nederlandse nationaliteit. Na verschillende niet succesvolle visumaanvragen kreeg klaagster in 1997 een visum om Nederland in te reizen, maar zij keerde niet terug naar Suriname toen haar visum verliep; sindsdien woont zij in Nederland. Zij heeft verschillende verzoeken om een verblijfsvergunning ingediend, maar die zijn stelselmatig afgewezen. In de tussentijd is zij met W. getrouwd en hebben zij twee kinderen gekregen, die de Nederlandse nationaliteit hebben. In 2009 heeft W. een tijd in de gevangenis gezeten vanwege het smokkelen van cocaïne, maar inmiddels is hij weer vrij. In 2010 diende klaagster opnieuw een verzoek om een verblijfsvergunning in, maar dit verzoek werd wederom afgewezen. Vervolgens werd zij in hechtenis genomen met het oog op uitzetting, ondanks het feit dat zij inmiddels zwanger was van een derde kind. Eind 2010 werd zij weer vrijgelaten.
Het Hof stelt voorop dat art. 8 EVRM in dit geval van toepassing is, maar dat het gaat om een situatie waarin klaagster steeds onrechtmatig in Nederland heeft verbleven. Gezinsleven dat wordt opgebouwd in de wetenschap dat de verblijfsstatus precair is kan niet een fait accompli opleveren waardoor de staat gedwongen wordt onder art. 8 EVRM om dat verblijf te respecteren. Slechts in uitzonderlijke gevallen bestaat dan een positieve verplichting voor de staat om de keuze van de vreemdeling te respecteren. In het onderhavige geval overweegt het Hof dat alle gezinsleden behalve de klaagster de Nederlandse nationaliteit hebben en dat klaagster zelf ook aanvankelijk de Nederlandse nationaliteit heeft gehad. Klaagster is meer dan 16 jaar in Nederland geweest en heeft geen strafblad; zij heeft herhaaldelijk verzoeken om een verblijfsvergunning ingediend. Haar verblijf was bekend bij de autoriteiten en is al die tijd getolereerd, terwijl juist de lange duur van het verblijf het haar mogelijk heeft gemaakt om in Nederland een gezinsleven op te bouwen. Voor het gezin zouden weliswaar geen onoverkomelijke obstakels bestaan om het gezinsleven in Suriname voort te zetten, maar het zou wel leiden tot een zekere mate van hardheid (‘a degree of hardship’). In het bijzonder moet daarbij worden gedacht aan de grote impact die een verhuizing zou hebben op de drie kinderen, terwijl juist aan hun belangen zeer grote waarde toekomt, al hoeven ze niet doorslaggevend te zijn. Het is duidelijk dat de belangen van de kinderen niet gediend worden bij een gedwongen overplaatsing van hun moeder en/of henzelf naar Suriname, ook al omdat de vader de kostwinner is en de kinderen in Nederland goed geworteld zijn. Het Hof is van oordeel dat de nationale autoriteiten al deze overwegingen onvoldoende in hun beoordeling van de kwestie hebben meegenomen, zodat moet worden vastgesteld dat er geen goede belangenafweging is gemaakt. Schending art. 8 EVRM. |
| Document type | Case note |
| Language | Dutch |
| Published at | http://opmaatnieuw.sdu.nl/link/JUR/EHRC/2014/262 |
| Permalink to this page | |
