Hof 's-Hertogenbosch (rolnr. HD 200.111.792/01: uitleg samenlevingsovereenkomst, verblijvingsbeding in geval van overlijden, vergoeding helft overwaarde aan niet-eigenaar woning, Haviltex-criterium)
| Authors | |
|---|---|
| Publication date | 2013 |
| Journal | Jurisprudentie personen- en familierecht |
| Article number | 142 |
| Volume | Issue number | 2013 | 7 |
| Pages (from-to) | 769-770 |
| Organisations |
|
| Abstract |
Partijen hadden een affectieve relatie vanaf 2002 en zij hebben samengewoond tot het overlijden van erflaatster. Zij hadden een samenlevingsovereenkomst uit 2004, die ondermeer in art. 4 bepaalde dat bij het beëindigen van de samenwoning door overlijden van een van partijen alle gemeenschappelijke goederen aan de langstlevende zouden worden toebedeeld zonder inbreng van de waarde, dit over en weer ter voldoening aan een natuurlijke verbintenis.
Voorts was in art. 9 van de samenlevingsovereenkomst bepaald dat bij beëindiging van de samenwoning verrekening van de meerwaarde van de woning met de niet-eigenaar zou moeten plaatsvinden onder nader uitgewerkte voorwaarden. Ten tijde van het overlijden van de vrouw was de woning waarin zij hadden gewoond, enig eigendom van de man. De erfgenamen van de vrouw eisen - kort samengevat - thans verrekening van de meerwaarde van die woning, overeenkomstig art. 9 van de samenlevingsovereenkomst. De man verweert zich daartegen. De rechtbank had een vergoedingsrecht van de erfgenamen vastgesteld. De erfgenamen bestrijden in hoger beroep de hoogte van de door de rechtbank vastgestelde vergoedingsvordering. De man bestrijdt dat er enige vergoeding betaald zou moeten worden. Het hof legt de samenlevingsovereenkomst uit overeenkomstig het Haviltex-criterium. Uit het verblijvingsbeding zonder inbreng van de waarde, gebaseerd op de natuurlijke verbintenis die een eerststervende heeft jegens zijn langstlevende partner, blijkt dat partijen de langstlevende goed verzorgd achter wilden laten in geval de samenwoning zou eindigen door overlijden. Een verblijvingsbeding geldt alleen ten aanzien van gemeenschappelijke goederen, en derhalve niet ten aanzien van de woning die aan de langstlevende in vol eigendom toebehoort. Daar leidt het hof uit af dat art. 9 van de samenlevingsovereenkomst (dat een vergoedingsrecht bevat), kennelijk is geschreven voor andere gevallen van beëindiging van de samenwoning dan door overlijden. Aangezien de samenwoning is geëindigd door het overlijden van de vrouw, kunnen haar erfgenamen daarom geen aanspraak maken op de verrekening van enige meerwaarde van de woning, die aan de langstlevende partner toebehoort. |
| Document type | Case note |
| Language | Dutch |
| Published at | http://opmaatnieuw.sdu.nl/link/JUR/JPF/2013/142 |
| Permalink to this page | |