HvJ EU (rolnr. C-314/12: UPC Telekabel Wien / Constantin Film Verleih en Wega Filmproduktionsgesellschaft)
| Authors | |
|---|---|
| Publication date | 2014 |
| Journal | EHRC. European Human Right Cases |
| Article number | 138 |
| Volume | Issue number | 2014 | 7 |
| Pages (from-to) | 363-367 |
| Organisations |
|
| Abstract |
Filmproducenten Constantin Wien en Wega Filmproduktionsgemeinschaft hebben via de rechter de verplichting laten opleggen aan internetprovider UPC om de toegang te blokkeren tot een website waarop door hen geproduceerde films illegaal zouden worden aangeboden. In het kader hiervan zijn prejudiciële vragen voorgelegd waarbij is gevraagd of UPC als ‘tussenpersoon’ moet worden aangemerkt en of het opleggen van een dergelijke blokkade verenigbaar is met het Handvest voor de Grondrechten.
Het Hof oordeelt allereerst dat het begrip ‘tussenpersoon’ in de Auteursrechtrichtlijn ruim moet worden uitgelegd om een hoog beschermingsniveau te waarborgen. Nu een internetprovider doorgifte mogelijk maakt door internettoegang te verschaffen, kan hij als zodanig worden aangemerkt. Voor wat betreft de grondrechtenproblematiek geldt dat in geval van een botsing van grondrechten bij de omzetting van een richtlijn de lidstaten ervoor moeten zorgen dat zij zich baseren op een uitlegging van de richtlijn die een juist evenwicht waarborgt en die ook niet indruist tegen andere beginselen van Unierecht zoals het proportionaliteitsbeginsel. In dit geval is sprake van een conflict tussen auteursrechten (art. 17), de vrijheid van ondernemerschap (art. 16) en de rechten op toegang tot informatie van het publiek (art. 11). Een bevel als hier aan de orde beperkt de ondernemingsvrijheid doordat het vrije gebruik van ter beschikking staande economische, technische en financiële middelen wordt beperkt en hij mogelijk aanzienlijke kosten moet maken en inspanningen moet verrichten om aan het bevel te voldoen. De kern van de ondernemingsvrijheid wordt door zo’n bevel echter niet geraakt. Het is immers aan de adressaat zelf om te bepalen welke concrete maatregelen moeten worden getroffen om aan het bevel te voldoen, waardoor hij kan kiezen voor de minst beperkende maatregelen. Ook mag niet verwacht worden dat hij ondraaglijke offers brengt. De adressaat moet bovendien zelf ervoor zorgen dat de grondrechten van de internetgebruikers op het recht op informatie worden beschermd; zij mogen dus niet te nadelig voor hen zijn. De nationale rechterlijke instanties moeten nagaan of dat het geval is. Daarbij is niet uitgesloten dat de maatregelen niet volledig effectief zijn. Wel moeten zij voldoende doeltreffend zijn om een effectieve bescherming van het grondrecht te verzekeren, wat inhoudt dat zij tot gevolg hebben dat illegaal downloaden wordt verhinderd of tenminste bemoeilijkt en een ontmoedigend effect hebben voor gebruikers. |
| Document type | Case note |
| Language | Dutch |
| Published at | http://opmaatnieuw.sdu.nl/link/JUR/EHRC/2014/138 |
| Permalink to this page | |