Hoge Raad (Verschoningsrecht notaris, Reikwijdte)
| Authors | |
|---|---|
| Publication date | 2007 |
| Journal | Jurisprudentie Burgerlijk Procesrecht |
| Article number | 37 |
| Volume | Issue number | 2007 | 6(2) |
| Pages (from-to) | 291-293 |
| Organisations |
|
| Abstract |
Twee partijen voeren onderhandelingen over de verkoop van aandelen en een bedrijfspand. De door partijen ingeschakelde (kandidaat-)notaris heeft de aanvankelijk tussen partijen bereikte wilsovereenstemming vastgelegd in concept-leveringsakten. Tussen partijen ontstaat vervolgens een geschil over de inhoud van die overeenstemming, als gevolg waarvan de geplande levering geen doorgang vindt. Vóór de geplande leveringsdatum heeft de notaris, die als bemiddelaar optrad tussen partijen omdat deze niet meer ‘‘on speaking terms’’ waren, mededelingen van de ene partij, die bedoeld waren ter vastlegging in de overeenkomst, telefonisch doorgegeven aan de andere partij. In de hierop volgende procedure tussen partijen wordt de notaris in appel als getuige opgeroepen om met name omtrent de in het telefoongesprek doorgegeven mededelingen te worden gehoord. De notaris beroept zich op zijn verschoningsrecht en de raadsheer-commissaris aanvaardt dit beroep.
Alles waarvan de wetenschap aan een notaris als zodanig is medegedeeld, heeft te gelden als aan hem toevertrouwd, waarbij het in beginsel aan de notaris zelf moet worden overgelaten om te beoordelen of hetgeen aan hem is medegedeeld heeft te gelden als aan hem toevertrouwd. De aard van het verschoningsrecht brengt mee dat de opgegeven vragen niet behoeven te worden beantwoord, zolang de rechter aan redelijke twijfel onderhevig acht of die beantwoording naar waarheid zou kunnen geschieden zonder dat geopenbaard wordt wat verborgen dient te blijven. De raadsheer-commissaris heeft kennelijk geoordeeld dat dit laatste zich hier voordoet, maar heeft dat oordeel slechts gemotiveerd met de overweging dat voldoende aannemelijk is dat het probandum feiten betreft waarvan de notaris uit hoofde van zijn werkzaamheid kennis heeft genomen, waaraan de raadsheer-commissaris toevoegde dat hij, nu alleen de notaris precies kan beoordelen of bedoelde feiten onder zijn verschoningsrecht vallen, diens oordeel aanvaardt. Het onderhavige geval is in zoverre te vergelijken met (een van) de situaties als beschreven in HR 25 september 1992, NJ 1993, 467, dat naar aanleiding van de vastlegging van de tussen partijen bereikte overeenstemming, door een van de partijen mededelingen zijn gedaan ter vastlegging onder leiding van de notaris in de door hem opgestelde conceptakten, zonder dat het tot vastlegging is gekomen. Het gaat in dit geval klaarblijkelijk ook niet om mededelingen van een der partijen die gedaan zijn in het vertrouwen dat zij geheim zouden blijven totdat de transactie behoorlijk in een akte zou zijn vastgelegd. Onder deze omstandigheden behoefde het nadere, in het arrest ontbrekende, motivering dat die aldus in het telefoongesprek slechts doorgegeven mededeling zou kunnen gelden als aan de notaris in diens hoedanigheid toevertrouwd. |
| Document type | Case note |
| Note | LJN AU 4533 |
| Published at | http://opmaatnieuw.sdu.nl/link/JUR/JBPR/2007/37 |
| Permalink to this page | |