Rechtbank Haarlem (Braziliaanse adoptie, Eisen voor erkenning, Adoptie naar Nederlands recht, Belang kind)

Authors
Publication date 2008
Journal Jurisprudentie personen- en familierecht
Article number 8
Volume | Issue number 2008 | 4/1
Pages (from-to) 37-
Organisations
  • Faculty of Law (FdR) - Centre for the Study of European Contract Law (CSECL)
Abstract
De vrouw heeft in Braziliƫ een adoptieprocedure gevoerd. Onduidelijk is in hoeverre de Braziliaanse rechter het gegeven dat de vrouw naast de Braziliaanse nationaliteit tevens de Nederlandse nationaliteit bezit, met een Nederlander is gehuwd en in Nederland woonachtig is, in zijn beslissing heeft meegewogen. De adoptie van de minderjarige door de vrouw is in 2004 door de Braziliaanse rechter uitgesproken. Thans woont de minderjarige al enkele jaren bij de vrouw en haar echtgenoot in Nederland en verzoekt de vrouw de rechtbank primair voor recht te verklaren dat de adoptie-uitspraak van de Braziliaanse rechter vatbaar is voor opneming in een Nederlands register voor de burgerlijke stand. Subsidiair verzoekt zij adoptie naar Nederlands recht. De rechtbank oordeelt dat erkenning op de voet van art. 6 of 7 WCAd zoals door de vrouw verzocht in ieder geval niet mogelijk is nu deze bepalingen uitsluitend zien op erkenning van adopties uit niet-verdragslanden en Braziliƫ wel partij is bij het Haags Adoptieverdrag. Voorts heeft de rechtbank na raadpleging van het Internationaal Juridisch Instituut te Den Haag de stelling van de vrouw verworpen dat er in Braziliƫ bij de rechtbank een juridisch aanvaarde praktijk zou bestaan om - met terzijdestelling van de bepalingen van het Haags Adoptieverdrag - een zekere interne procedure te volgen indien adoptie verzocht wordt door een Braziliaan die in het buitenland woont. Het primaire verzoek tot erkenning van de Braziliaanse adoptie wordt dan ook afgewezen. Het subsidiaire verzoek tot adoptie naar Nederlands recht wordt wel toegewezen op grond van het belang van het kind. De rechter overweegt daartoe onder meer dat uit de strekking van art. 10 Wet opneming buitenlandse kinderen ter adoptie (Wobka) en de bepalingen van het IVRK kan worden afgeleid dat het niet navolgen van bepalingen van de Wobka onder omstandigheden niet aan een adoptie in Nederland in de weg hoeft te staan, omdat bij te nemen beslissingen steeds het belang van het kind voor ogen moet worden gehouden. Aan met name de hechting van de minderjarige aan de vrouw en haar echtgenoot wordt een doorslaggevend belang toegekend.
Document type Case note
Published at http://opmaatnieuw.sdu.nl/link/JUR/JPF/2008/8
Permalink to this page
Back