Hof Arnhem-Leeuwarden, zp Leeuwarden (rolnummers 200.117.449 en 200.117.443: echtscheidingsconvenant: nihilbeding partneralimentatie en afstand van pensioenrechten, wilsvertrouwensleer, wilsgebreken)

Authors
Publication date 2014
Journal Jurisprudentie personen- en familierecht
Article number 23
Volume | Issue number 2014 | 1
Pages (from-to) 129-130
Organisations
  • Faculty of Law (FdR)
Abstract
Partijen waren gehuwd van 1979 tot 2012. In het kader van hun echtscheiding hebben partijen een convenant gesloten, inhoudende onder meer afstand van partneralimentatie en afstand van verevening van pensioenrechten door de vrouw. Het convenant is aan de echtscheidingsbeschikking gehecht.
De vrouw is het wel eens met de echtscheiding, maar in hoger beroep beroept zij zich erop dat ten aanzien van de passages over het nihilbeding en de afstand van de pensioenverevening geen wilsovereenstemming bestond dan wel dat er sprake was van wilsgebreken (bedrog en/of misbruik van omstandigheden), zodat aan deze afspraken voorbij moet worden gegaan. Zij beroept zich er onder meer op dat zij in die tijd dat het convenant gesloten is, labiel was en dat de man ook wist van het feit dat zij daarvoor onder behandeling was.
Ten aanzien van de partneralimentatie heeft de vrouw tijdens de procedure het verzoek ingetrokken omdat zij intussen voldoende inkomsten kan genereren uit arbeid.
Ten aanzien van het partnerpensioen overweegt het hof onder meer dat partijen samen een advocaat hadden waarmee alleen per email werd gecommuniceerd. De vrouw beroept zich onder meer op het feit dat zij in die periode labiel was en onder invloed van de man stond. Het hof toetst of er aanwijzingen voor zijn dat er geen sprake was van een rechtens relevante wil, als geƫist in art. 3:33 BW, voor de totstandkoming van een rechtshandeling. De vrouw heeft geen medische rapporten overgelegd die haar beroep op een geestelijke stoornis kunnen onderbouwen. De vrouw had zich op de hoogte kunnen stellen van de pensioenaanspraken die aan de zijde van de man waren opgebouwd en zij had zich kunnen laten voorlichten over de gevolgen van haar handelen. De advocaat heeft voor het ondertekenen van het convenant nog uitdrukkelijk gevraagd naar hun redenen om over en weer afstand te doen, maar partijen hebben in een gezamenlijke brief laten weten dat zij deze vraag niet wensten te beantwoorden.
Op grond van alle feiten komt het hof tot de conclusie dat er geen reden is om aan te nemen dat de vrouw geen rechtens relevante wil had toen zij het convenant tekende. Het hof neemt aan dat de vrouw er bewust voor heeft gekozen om geen nadere informatie in te winnen. Dat staat haar vrij, maar rechtvaardigt geen beroep op misbruik van omstandigheden of zelfs bedrog.
Het hof neemt in aanmerking dat de vrouw door betaald werk zelf inkomsten verwerft en ook pensioenrechten opbouwt, terwijl partijen er ten tijde van het ondertekenen van het convenant van uitgingen dat de man binnenkort werkloos zou worden. Dat maakt het aannemelijk dat de afspraken niet zonder meer uitzonderlijk en onredelijk benadelend zijn voor de vrouw.
Het hof wijst daarom het verzoek van de vrouw in hoger beroep ten aanzien van de ouderdomspensioenrechten af.
Document type Case note
Language Dutch
Published at http://opmaatnieuw.sdu.nl/link/JUR/JPF/2014/23
Permalink to this page
Back