Hof Arnhem-Leeuwarden (nr. 12/00184: Hof leidt moment einde tbs in landbouwsfeer af uit de feiten)
| Authors | |
|---|---|
| Publication date | 2014 |
| Journal | NTFR. Nederlands Tijdschrift voor Fiscaal Recht |
| Article number | 528 |
| Volume | Issue number | 2014 | 5 |
| Organisations |
|
| Abstract |
Belanghebbende heeft pachtrechten met betrekking tot de onroerende zaken van haar ouderlijke boerderij. Haar echtgenoot oefende daarop een landbouwbedrijf uit. Zij waren in gemeenschap van winst en verlies gehuwd. De totale pacht heeft belanghebbende vanaf de gezamenlijke rekening van haar en haar echtgenoot betaald totdat zij de eigendom van de onroerende zaken in 1975 deels door schenking heeft verkregen. De echtgenoot heeft vervolgens alle kosten van de onroerende zaken als kosten van de onderneming in aanmerking genomen. In 2006 staakt de echtgenoot de onderneming. Daarna verpacht belanghebbende de onroerende zaken aan een derde. De inspecteur heeft de aangifte van belanghebbende over 2006 gecorrigeerd door een bijtelling van circa € 770.000 in verband met het beëindigen van de terbeschikkingstelling van de onroerende zaken. De rechtbank heeft belanghebbende niet gevolgd in haar stelling dat de echtgenoot mede-eigenaar is van de onroerende zaken en dat daarom de tbs-regeling niet van toepassing zou zijn. De rechtbank oordeelde voorts dat het gebruiksrecht van de echtgenoot gelijkgesteld moet worden met (de waarde van) een pachtrecht. In hoger beroep stelt belanghebbende dat de terbeschikkingstelling met de pachtsituatie reeds in 2005 is beëindigd. Eind 2005 zijn de landerijen door maatschap C in gebruik genomen, begin 2006 zijn de landbouwwerktuigen vervreemd en is met de inspecteur een overeenkomst tot gezamenlijke taxatie van de onroerende zaken gesloten. In mei 2006 is een pachtovereenkomst voor de landerijen met maatschap C gesloten. Het hof honoreert het verzoek van de inspecteur om herstel in zijn onderzoeksbevoegdheden niet. Verder oordeelt het hof, nu vaststaat dat de desbetreffende onroerende zaken door de maatschap C reeds in 2005 in gebruik genomen zijn en per 1 januari 2006 de pachtovereenkomst is gaan gelden, terwijl ook voor het gehele jaar 2006 aan belanghebbende pacht is betaald, dat de terbeschikkingstelling van de onroerende zaken door belanghebbende aan haar echtgenoot uiterlijk op 31 december 2005 is geëindigd. Het hof staat de inspecteur toe interne compensatie toe te passen in die zin dat de landerijen als onderdeel van de rendementsgrondslag voor het inkomen uit sparen en beleggen in aanmerking genomen mogen worden.
(Hoger beroep gegrond.) |
| Document type | Case note |
| Language | Dutch |
| Published at | http://www.ndfr.nl/link/NTFR2014-528 |
| Permalink to this page | |