Rb. Maastricht (rolnummer 155647/FA RK 10-1548, 155736/FA RK 10-1574, LJN BO2008, LJN BO2555: IPR-huwelijksvermogensrecht, goedkeuring huwelijkse voorwaarden)
| Authors | |
|---|---|
| Publication date | 2011 |
| Journal | Jurisprudentie personen- en familierecht |
| Article number | 147 |
| Volume | Issue number | 2011 | 8 |
| Pages (from-to) | 702-707 |
| Organisations |
|
| Abstract |
Twee Duitse echtelieden zijn in Duitsland gehuwd. In 1983 hadden zij naar Duits recht huwelijkse voorwaarden gemaakt, inhoudende Gütertrennung (koude uitsluiting). Sinds 2003 wonen partijen in Nederland. Zij willen graag een finaal verrekenbeding bij overlijden aan hun huwelijksgoederenregime toevoegen. De vraag is of hiervoor toestemming van de rechtbank in de zin van art. 1:119 BW is vereist.
In de eerste zaak bij de rechtbank hebben ze het concept van de huwelijkse voorwaarden ingediend op 26 oktober 2010. In de uitspraak op 27 oktober 2010 werd vastgesteld dat in dit concept van de huwelijkse voorwaarden geen uitdrukkelijke rechtskeuze is opgenomen. Blijkens de tekst is de bedoeling dat het verrekenbeding wordt "toegevoegd" aan de eerdere huwelijkse voorwaarden uit 1983. De rechtbank wijst goedkeuring af omdat zij van oordeel is dat de huwelijkse voorwaarden geheel in de sleutel van het Duitse recht staan. Dat recht kent niet een goedkeuringsregeling als art. 1:119 BW, zodat het verzoek wordt afgewezen. De rechtbank besluit de uitspraak met de opmerking dat zij zich niet uitspreekt over de vraag of het naar Duits recht eigenlijk wel mogelijk is om een finaal verrekenbeding bij overlijden aan de Gütertrennung (par. 1414 BGB) toe te voegen. Deze vraag was haar immers niet voorgelegd. In de tweede zaak is een ander concept huwelijkse voorwaarden ter goedkeuring ingediend, een dag na de afwijzing van het eerste concept. Partijen maken daarin een rechtskeuze voor Nederlands recht. Voorts wensen zij hun huwelijkse voorwaarden uit 1983 te wijzigen in een stelsel van uitsluiting van elke gemeenschap met een verplicht wederkerige finale verrekening bij het einde van het huwelijk door overlijden. Hierop vragen zij wederom rechterlijke goedkeuring overeenkomstig art. 1:119 BW. De rechtbank oordeelt dat bij dit ontwerp huwelijkse voorwaarden niet meer de vraag rijst of het slechts een aanvulling betreft van de eerdere Duitse huwelijkse voorwaarden, zoals dit speelde in de zaak van 27 oktober 2010. Thans is immers een uitdrukkelijke rechtskeuze voor het Nederlandse recht opgenomen en zijn de bepalingen ook geheel op Nederlandse leest geschoeid. In beginsel betreffen dit derhalve Nederlandse huwelijkse voorwaarden die aan de rechterlijke goedkeuring van art. 1:119 BW zijn onderworpen. Maar, zo gaat de rechtbank verder, hieraan staat het bepaalde in art. 8 WCHv (Wet conflictenrecht huwelijksvermogensregime) in de weg omdat dit artikel wil voorkomen dat art. 1:119 BW een obstakel vormt bij de uitoefening van de rechtskeuzemogelijkheid van het Haags huwelijksvermogensverdrag 1978. Weliswaar zijn partijen gehuwd vóór de inwerkingtreding van het genoemde verdrag maar art. 12 WCHv bepaalt dat alle rechtskeuzes die thans worden gemaakt, onder de werking van de WCHv vallen. De rechtbank eindigt met de overweging: "Nu de door verzoekers uit te brengen rechtskeuze voor het Nederlandse recht aansluitend en in een en dezelfde akte wordt gevolgd door het maken van huwelijkse voorwaarden overeenkomstig het Nederlandse recht, brengt het bepaalde in artikel 8 Wch mee dat daarvoor geen rechterlijk goedkeuring als bedoeld in artikel 1:119 BW is vereist." Daarom wordt wederom het verzoek tot het verlenen van goedkeuring op de huwelijkse voorwaarden afgewezen. |
| Document type | Case note |
| Language | Dutch |
| Published at | http://opmaatpersonenenfamilierecht.sdu.nl/link/JUR/JPF/2011/147 |
| Permalink to this page | |