| In
afwachting van een volwassen EU-openbaarheidsregeling op basis van het bij het
Verdrag van Amsterdam ingevoerde artikel 191A EG-Verdrag (te hernummeren tot
art. 255), is de openbaarheid van documenten van de Europese Commissie en Raad
geregeld in een gedragscode (93/730/EC, PbEG 1993 L340, p. 41-42) en
daaraan uitvoering gevende besluiten. Voor de Raad is dat besluit 93/731/EC van
20 december 1993 (PbEG 1993 L340, p. 43-44), voor de Commissie besluit
94/90/EGKS,EG,Euratom van 8 februari 1994 (PbEG 1994 L 46, p. 58). Hoewel
deze besluiten zijn gebaseerd op de reglementen van orde van de Commissie en
Raad, kunnen burgers er wel een recht tot toegang tot documenten aan ontlenen
(GvEA EG 5 maart 1997, zaak T-105/95, WWF UK/Commissie, Jurispr.
1997, p. II-313).
Ook andere Europese instellingen zoals het
Europees Parlement, de Europese Investeringsbank en het Europees Monetair
Instituut hebben inmiddels regels voor openbaarheid getroffen, al dan niet met
bovenstaande besluiten als voorbeeld. De Europese Ombudsman fungeerde als
aanjager van deze nieuwe regelingen. Medio 1996 stelde de Ombudsman op eigen
inititatief een onderzoek in naar de openbaarheidsvoorzieningen van vijftien
EU-instellingen. Toentertijd kende pas één van hen een regeling. Anderhalf
jaar later kon de Ombudsman in zijn Special Report aan het Europees Parlement
melden dat van de onderzochte instellingen alleen het Hof van Justitie nog een
regeling moet treffen (Special Report 616/PUBAC/F/IJH van 15 december
1997).
Bovenstaande zaak betreft een verzoek om
vernietiging van een beschikking van de Raad, waarbij aan de Zweedse
Journalistenbond de toegang werd geweigerd tot een aantal raadsdocumenten over
de oprichting van Europol. De Zweedse journalistenbond, meer in het bijzonder
journalisten van het door de bond uitgegeven vakblad, stelde na de toetreding
van Zweden tot de EU een onderzoek in naar de mate waarin de Zweedse overheid
uitvoering gaf aan de openbaarheid met betrekking tot Europese aangelegenheden
(zie over de lange traditie van openbaarheid in Zweden J.M. de Meij, ‘Uitingsvrijheid
naar Zweeds model: een overladen menu van grondwettelijke delicatessen?’, Mediaforum
1998-2, p. 48 en J. Osterdahl ‘Openess versus Secrecy: Public Access to
Documents in Sweden and the European Union’, European Law Review
1998-4, p. 336 e.v.).
De journalistenbond verzocht zowel Zweedse overheidsinstanties als de Europese
Raad om twintig documenten. De Zweedse autoriteiten gaven toegang tot achttien
van de twintig documenten, hier en daar met weglating van bepaalde passages. De
Raad weigerde in eerste instantie juist achttien van de twintig documenten te
verstrekken, met een summier beroep op de weigeringsgronden van artikel 4 lid 1
van besluit 93/731/EC. Nadat de bond een zgn. confirmatief verzoek had
ingediend, werden twee documenten alsnog vrijgegeven. De aanhoudende weigering
voor de overige documenten werd ditmaal gemotiveerd met een beroep op een
specifieke weigeringsgrond uit de catalogus van art. 4 lid 1, namelijk mogelijke
schade aan het algemeen belang in verband met de openbare veiligheid, en op de
uitzonderingsgrond van art. 4 lid 2 (geheimhouding van de beraadslagingen van de
Raad).
De bond verzocht het Gerecht om vernietiging
van de beschikking, daarbij gesteund door Zweden, Denemarken en Nederland. De
Raad —ondersteund door Frankijk en Groot-Brittanië— wierp een batterij
verweren op, variërend van een beroep op niet-ontvankelijkheid wegens het
ontbreken van procesbelang tot het verweer dat de ‘kernachtige’ motivering
van de weigering volstond.
Over het procesbelang kon het Gerecht kort zijn. De journalistenbond was
addressaat van de beschikking, en gezien het doel van de openbaarheidsregeling
(burgers zo ruim mogelijke toegang geven) gaf de weigering tot toegang reeds
belang bij nietigverklaring (r.o. 64-68). Ook het verweer van de Raad dat het
Gerecht niet bevoegd was omdat het om materie zou gaan die onder de derde peiler
valt, werd verworpen. Besluit 93/731/EC heeft immers betrekking heeft op alle
documenten van de Raad ongeacht het onderwerp, en het Gerecht is op grond van
artikel 173 EU-Verdrag bevoegd om de wettigheid van raadsbesluiten
gebaseerd op besluit 93/731/EC te beoordelen.
De summiere motivering van de weigering bleek
de achilleshiel van de beschikking. De Raad had niet aangegeven waarom hij de
ingeroepen weigeringsgronden van toepassing achtte, noch gespecificeerd voor
welke documenten hij zich op welke weigeringsgrond beriep. Volgens eerdere
rechtspraak van het Gerecht is de weigeringsgrond ‘bescherming van het
algemeen belang’ (i.c. de species openbare veiligheid) absoluut. Per document
moet de Raad onderzoeken of verspreiding ervan daadwerkelijk afbreuk kan
doen aan het algemeen belang. Staat dat vast, dan moet de toegang geweigerd
worden (zie o.m. GvEA
EG 19 maart 1998, zaak T-83/96, Van der Wal/Commissie, Mediaforum
1998-6, nr. 30 met nt. M.M.M. van Eechoud). Het Gerecht herhaalt nogmaals dat
weigeringsgronden eng moeten worden geïnterpreteerd, in tegenstelling overigens
tot wat de Raad meent. Omdat de motivering voor de weigering zo summier is, en
niet per document is aangegeven op welke weigeringsgrond de Raad zich beroept,
kan het Gerecht niet beoordelen of de Europol-documenten wel onder de openbare
veiligheid-exceptie vallen. Dat laatste lijkt het Gerecht overigens te
betwijfelen, gezien zijn opmerking dat de documenten blijkens een zich in de
stukken bevindende nota handelen over de onderhandelingen over de oprichting van
Europol, en geen betrekking hebben op operationele activiteiten.
Een ander gevolg van het feit dat de Raad niet per document aangaf op welke
weigeringsgrond hij zich beriep is dat het Gerecht niet kan beoordelen of bij
toepassing van de relatieve weigeringsgrond van artikel 4 lid 2 (geheimhouding
beraadslagingen) wel de vereiste belangenafweging is gemaakt. Het Gerecht
vernietigt de beschikking wegens motiveringsgebreken.
Aan de beoordeling van een belangrijk middel
van de verzoeker, namelijk dat de weigering schending opleverde van een naar de
mening van verzoeker fundamenteel beginsel van gemeenschapsrecht (zo vrij en
volledig mogelijke toegang voor burgers tot EU-documenten), kwam het Gerecht
jammer genoeg niet toe. Ook is nog niet duidelijk geworden hoe ver de Europese
rechter gaat bij het beoordelen van de vraag of een bepaald document
daadwerkelijk schade kan toebrengen aan het algemeen belang, en dus
ontoegankelijk moet blijven. De Raad stelde in deze zaak dat het alleen aan hem
is om dat te beoordelen, het Gerecht ging aan die stelling voorbij. Wellicht
komen we over een en ander meer over te weten als het Hof van Justitie uitspraak
doet in het beroep dat Van der Wal en Nederland hebben ingesteld tegen het
arrest van het Gerecht van 19 maart 1998 (zie Mediaforum 1998-6, Nr. 30).
Een van de middelen in dat beroep is dat het Gerecht miskend zou hebben dat
(i.c.) de Commissie moet aantonen dat het algemeen belang (i.c. gerechtelijke
procedures, ook genoemd in art. 4 lid 1) daadwerkelijk geschaad kan worden door
openbaarmaking (zaak C-189/98 P, PbEG 1998 C 258/18).
|