| Was het
jaar 1992 een Rorschach-vlek, dan zou de gemiddelde jurist bij het zien ervan
ongetwijfeld uitroepen: Verdrag van Maastricht en nieuw BW! Sinds ik de
eindredactie van Mediaforum voer, denk ik bij 1992 ook: toen werd Gerard
Schuijt de eerste officiële redactievoorzitter van Mediaforum. Dat
was pas in september, misschien daarom schreef hij in januari dat jaar nog over
een bij uitstek ‘Mediaforummig’ onderwerp in Informatierecht/AMI: ‘Onrechtmatige
publicaties naar nieuw BW’. Schuijt oordeelde in die bijdrage dat het nieuwe
rectificatie-artikel (6:167 BW) overbodig was, en voorspelde dat de verruimde
mogelijkheden voor toekenning van immateriële schadevergoeding (6:106 BW) niet
tot hogere smartengelduitkeringen zouden leiden. Geen Angelsaksische toestanden
dus. Het leek me aardig om aan de hand van een snel jurisprudentie-onderzoek
eens na te gaan of Schuijt gelijk heeft gehad.
Over zaken waarin een (expliciet) beroep op
art. 6:167 wordt gedaan kan ik kort zijn: ik kwam er nog geen handvol tegen.
Art. 167 ziet enkel op rectificatie in enge zin, in een notedop: rechtzetting
van onjuiste feiten. De rechter kan ook buiten art. 6:167 rechtzetting bevelen (‘Wij
hebben niet aannemelijk kunnen maken dat…’), zelfs als van een onrechtmatige
publicatie geen sprake is. #noot 1 Kortom, de kans
dat een enkel op grond van art. 167 gevorderde ‘enge’ rectificatie wordt
toegewezen is kleiner dan de kans dat enige rechtzetting bereikt wordt via de
algemene weg. Waarom moeilijk doen als het makkelijk kan, zou Gerard
waarschijnlijk zeggen.
Kijken we naar immateriële schadevergoeding
bij onrechtmatige publicaties. Voor de periode 1992-1999 vond ik zo’n 250
Nederlandse zaken vermeld in de documentatierubriek van Mediaforum, in NJ
en KG. Ik heb het dan over uitspraken inzake onrechtmatige
perspublicaties of televisieuitzendingen, waar inbreuk op de persoonlijke
levenssfeer en/of aantasting van de eer en goede naam aan de vordering ten
grondslag lag. Zaken die in hoofdzaak handelen om commerciëel portretrecht of
oneerlijke reclame zijn niet geturfd.
Smartengeld onder oud BW
Nog onder het oude recht (art. 1408 BW) kreeg
wethouder Stuart ƒ125.000,- van de gevorderde ƒ200.000,- aan smartengeld
toegewezen wegens belediging door Veronica en de Nieuwe Revue (Hof Amsterdam 13
september 1990, NJ 1991, 334). De strapatsen van de media waren in dit
geval wel van uitzonderlijk kaliber, maar toch: in vergelijking met de hoogte
van smartengeld op andere gebieden dan onrechtmatige publicaties, lijkt het
toegekende bedrag tamelijk fors. Ook de vergoedingen een klasse lager —wegens
belediging op grond van art. 1408 oud BW werden in de loop der tijd ook bedragen
van ƒ10.000,-, ƒ25.000,- en ƒ35.000,- toegekend— lijken stevig.
Om een vergelijking te geven: een huurder die zijn huis was uitgepest moest het
in 1995 doen met ƒ1.000,-. #noot 2 Volgens
Bolt & Spier lag normaal gesproken het maximale bedrag aan immateriële
schadevergoeding bij zeer zwaar (lichamelijk) letsel, bijvoorbeeld blind worden
aan beide ogen, op zo’n ruim ƒ100.000,- (prijspeil 1993). #noot
3 Wat dat betreft komt het onder het oude recht toegekende
smartengeld in drie gevallen van onrechtmatige publicatie van (naakt)foto’s ad
ƒ5.000,- (in NJ 1988, 277 en NJ 1986, 636) en ƒ1.000,- (NJ
1990, 370) evenwichtiger voor. Maar goed, geestelijk leed laat zich moeilijk
vergelijken, en kraaiende hanen waren volgens hof en Hoge Raad ooit ook goed
voor ƒ10.000,- smartengeld (NJ 1997, 134).
Nieuw BW
In een behoorlijk aantal van de 250 zaken die
ik signaleerde werd geen (voorschot op) immateriële schadevergoeding gevorderd,
of was niet duidelijk op wat voor schade of kosten het gevorderde bedrag
betrekking had. Waar wel expliciet een bedrag aan immateriële schadevergoeding
werd geëist (in ongeveer vijftig zaken), werd het door wethouder Stuart
gevorderde meerdere malen voorbijgestreefd; slechts eenmaal werd ook een hoger
bedrag toegekend.
Een paar ‘hoge’ cijfers uit zaken die draaiden om perspublicaties of
TV-uitzendingen waarin eisers werden beschuldigd van fraude of
betrokkenheid bij (zware) criminaliteit: van de Telegraaf werd ƒ1.000.000,- geëist
(afloop mij nog onbekend); tegen Meulenhoff ƒ100.000,- (niets toegekend want
geen onrechtmatige publicatie); FNV tegen RTL4 ƒ100.000,- (ƒ25.000,-
toegekend), tegen Panorama ƒ50.000,- exclusief omzetbelasting (ƒ7.500,-
toegekend); tegen Penthouse ƒ50.000 (ƒ30.000,- toegekend). #noot
4
De klapper sinds Stuart/Nieuwe Revu is Mr. X/Van de Bunt. Professor Van de Bunt
schreef voor de Commissie van Traa een onderzoek dat als bijlage bij het
IRT-rapport werd gepubliceerd. De rechtbank kende ƒ150.000,- aan smartengeld
toe (geeïst was een miljoen) omdat mr. X was getypeerd als een ‘foute’
advocaat die zijn ambt heeft misbruikt c.q. heeft laten misbruiken doordat hij
verwijtbaar betrokken is geweest bij criminele activiteiten van de
georganiseerde misdaad. Volgens de rechtbank kon het onderzoek van Van de Bunt
deze typering niet dragen. Mr. X was geschaad in zijn eer en goede naam als
bedoeld in artikel 6:106 lid 1 sub b BW, zodat hij aanspraak kon maken op
immateriële schadevergoeding. De hoogte van de vergoeding baseerde de rechtbank
mede op de positie van de eiser (voor advocaten is het hebben van een goede naam
essentieel, aldus de rechtbank), en de aard van de in het rapport geuite
beschuldigingen (Rb. Arnhem 4 januari 1999, Mediaforum 1999-5, nr. 27
m.nt. A.J. Nieuwenhuis).
Uit de showbussiness en sport bekende
Nederlanders eisen naar het lijkt lagere bedragen dan ‘onbekende’
Nederlanders die tot hun ongenoegen worden getrakteerd op ’15 minutes of fame’.
Ze krijgen zogezegd wel meer geld voor hun eis, want het toegekende smartengeld
ligt bij BN’ers hoger dan bij Jan met de Pet.
Als we de incidentele forse uitschieters buiten beschouwing laten, is het door
Bekende Nederlanders gevorderde bedrag voor perspublicaties de laatste jaren
gemiddeld ƒ25.000,-, met ƒ25.000,- of ƒ10.000,- als meestvoorkomende
gevorderde bedragen (gebaseerd op elf zaken). De gewone burger eistte gemiddeld
wat meer, nl. ƒ30.000,- met als favoriete bedragen ƒ10.000,- en ƒ50.000,-
(negentien zaken). De toegekende immateriële schadevergoeding voor niet-BN’ers
(elf gevallen) lag op twee gevallen na op ƒ7.500,- of minder. BN’ers kregen
ietsje vaker smartgeld en ook hogere bedragen: op zeven toekenningen waren vier
gevallen met een bedrag van ƒ10.000, éen van ƒ15.000,-. Geen echte
uitschieters dus aan toegekende bedragen waar het public figures betreft.
Bij perspublicaties over min of meer onbekende Nederlanders zijn er wel
uitschieters. Ik noemde al de zaak Mr X. Veel minder dan hij, maar behoorlijk
meer dan gemiddeld, kreeg een wetenschapper die onderzoek doet naar pedofilie,
namelijk ƒ30.000,- (zie noot 5). In Penthouse werd hij er o.m. van beschuldigd
een invloedrijk lid van een internationaal pedofilie-netwerk te zijn. De rechter
achtte de eiser als wetenschapper en privé-persoon ernstig in diskrediet
gebracht, en hield zich blijkbaar in, met de —terechte— constatering dat bij
het toekennen van een geldvordering in kort geding terughoudendheid op
zijn plaats is.
In reality TV zaken kwam ik vorderingen tegen van ‘private figures’ die
doorgaans tussen de ƒ10.000,- en ƒ30.000,- liggen met uitschieters van
ƒ200.000,- (misdaadprogramma deels gefilmd met verborgen camera, eiser
herkenbaar, ƒ5.000,- toegekend) en ƒ100.000,- (berichtgeving in Avro
Televizier over verdachte van sexueel misbruik; vordering afgewezen want kort
geding leent zich niet voor benodigd onderzoek naar de feiten). #noot
5
Het hoogst toegekende bedrag betrof ƒ10.000,-,
een zaak die verband hield met incest. In een item over die zaak zond RTL
beelden uit van eiseres, een moeder die gefilmd was tijdens haar aanwezigheid in
de rechtszaal waar haar klacht inzake niet-vervolging van de moord op haar baby
behandeld werd. De president oordeelde dat dit een zeer diepe ingreep in het
privé-leven van de moeder. RTL vond het toegekende bedrag exorbitant hoog, in
beroep volgde het hof echter de president. #noot 6
Onder de ‘bekende’ personen en instellingen streek de FNV het meest op naar
aanleiding van een onrechtmatige uitzending, nl. ƒ25.000,- in de zaak tegen
Peter R. de Vries en RTL4 (zie noot 4).
Gezien de ‘impact’ die televisie geacht wordt te hebben (zie Van Boxtel
daarover elders in dit nummer), verwacht men wellicht dat de gevorderde en
vooral toegekende bedragen bij onrechtmatige TV-uitzendingen hoger zijn dan bij
uitingen via de drukpers. Mijn onderzoekje rechtvaardigt die verwachting niet.
In de acht TV-zaken die ik vond, werd zes maal smartengeld toegekend, waarvan
viermaal ƒ5.000,- of minder. Dat is dus niet meer dan bij onrechtmatige
perspublicaties.
Het mag duidelijk zijn: Schuijt had gelijk met
zijn stelling dat de hoogte van smartengeld bij onrechtmatige publicaties niet
significant zou toenemen. De uitschieters van nu zijn —gecorrigeerd voor
inflatie— min of meer gelijk aan die onder het oud BW. De vaker voorkomende
bedragen, tussen ƒ7.500,- en ƒ10.000,- zijn geenszins hoger dan wat vroeger
voor belediging werd toegekend. Daar moet natuurlijk wel bij opgemerkt worden
dat de lat voor smartengeld wegens aantasting van eer of goede naam (belediging)
onder het oude recht hoger lag dan nu, vooral door het opzetvereiste. Een
succesvolle actie op grond van art. 1408 BW leidde zo wellicht tot een hogere
schadevergoeding. Wat me in het quick & dirty jurisprudentie-onderzoek
opviel was dat er een duidelijker modaal bedrag is dan voorheen, de
schommelingen in toegekende bedragen zijn niet zo wispelturig als vroegern.
Saillant detail is natuurlijk dat de hoogste claims van advocaten komen.
|
|
1 Zie
o.m. Hof Den Bosch 16 maart 1994, NJ 1994, 751 (Goumans/De Limburger
e.a.); Van Nispen (Onrechtmatige Daad 2), Art. 167, aant. 1, 13, 31;
Schuijt, ‘De rechtzetting in het recht’, in: G.A.I. Schuijt (red.) Rectificatie.
Amsterdam: Otto Cramwinckel 1989, p. 13-21.
2 T. Deurvorst, Schadevergoeding
(losbl.), Art. 106, aant. 21A.
3 Bolt & Spier, De
uitdijende aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad (Handelingen NJV
1996-I), Deventer: Kluwer 1996, p. 344.
4 Hof Amsterdam 26
februari 1998 (ongepubl., zie Mediaforum 1998-7/8, p. 214; Hammerstein/Telegraaf);
Hof Amsterdam 5 juni 1997 (ongepubl., zie Mediaforum 1997-7/8, p. 118; S./Schutten
& Meulenhoff); Rb. Amsterdam 8 oktober 1997, Mediaforum 1997-11/12,
p. B157 (FNV/De Vries e.a.); Pres. Rb. Amsterdam 13 augustus 1998
(ongepubl., zie Mediaforum 1998-9, p. 250; Hoogendijk/Panorama);
Pres. Rb. Utrecht 25 februari 1997 (ongepubl., zie Mediaforum 1997-7/8,p.
119; Universiteit Utrecht e.a./Penthouse).
5 Hof Amsterdam 2
februari 1995, NJ 1996, 205 (X./TROS); Pres. Rb. Amsterdam 6
februari 1996 (ongepubl., Karrenbeld/AVRO, zie Mediaforum 1996-3,
p. 46).
6 Pres. Rb.
Amsterdam 28 april 1994, Mediaforum 1994-7/8, p. B70 (Eveline van
B./RTL); Hof Amsterdam 8 december 1994, KG 1995, 274.
|