De schadekant van het gelijk
Verschenen in Mediaforum 1999-13, p. 341-342

M.M.M. van Eechoud


 
Was het jaar 1992 een Rorschach-vlek, dan zou de gemiddelde jurist bij het zien ervan ongetwijfeld uitroepen: Verdrag van Maastricht en nieuw BW! Sinds ik de eindredactie van Mediaforum voer, denk ik bij 1992 ook: toen werd Gerard Schuijt de eerste officiële redactievoorzitter van Mediaforum. Dat was pas in september, misschien daarom schreef hij in januari dat jaar nog over een bij uitstek ‘Mediaforummig’ onderwerp in Informatierecht/AMI: ‘Onrechtmatige publicaties naar nieuw BW’. Schuijt oordeelde in die bijdrage dat het nieuwe rectificatie-artikel (6:167 BW) overbodig was, en voorspelde dat de verruimde mogelijkheden voor toekenning van immateriële schadevergoeding (6:106 BW) niet tot hogere smartengelduitkeringen zouden leiden. Geen Angelsaksische toestanden dus. Het leek me aardig om aan de hand van een snel jurisprudentie-onderzoek eens na te gaan of Schuijt gelijk heeft gehad.

Over zaken waarin een (expliciet) beroep op art. 6:167 wordt gedaan kan ik kort zijn: ik kwam er nog geen handvol tegen. Art. 167 ziet enkel op rectificatie in enge zin, in een notedop: rechtzetting van onjuiste feiten. De rechter kan ook buiten art. 6:167 rechtzetting bevelen (‘Wij hebben niet aannemelijk kunnen maken dat…’), zelfs als van een onrechtmatige publicatie geen sprake is. #noot 1  Kortom, de kans dat een enkel op grond van art. 167 gevorderde ‘enge’ rectificatie wordt toegewezen is kleiner dan de kans dat enige rechtzetting bereikt wordt via de algemene weg. Waarom moeilijk doen als het makkelijk kan, zou Gerard waarschijnlijk zeggen.

Kijken we naar immateriële schadevergoeding bij onrechtmatige publicaties. Voor de periode 1992-1999 vond ik zo’n 250 Nederlandse zaken vermeld in de documentatierubriek van Mediaforum, in NJ en KG. Ik heb het dan over uitspraken inzake onrechtmatige perspublicaties of televisieuitzendingen, waar inbreuk op de persoonlijke levenssfeer en/of aantasting van de eer en goede naam aan de vordering ten grondslag lag. Zaken die in hoofdzaak handelen om commerciëel portretrecht of oneerlijke reclame zijn niet geturfd.

Smartengeld onder oud BW

Nog onder het oude recht (art. 1408 BW) kreeg wethouder Stuart ƒ125.000,- van de gevorderde ƒ200.000,- aan smartengeld toegewezen wegens belediging door Veronica en de Nieuwe Revue (Hof Amsterdam 13 september 1990, NJ 1991, 334). De strapatsen van de media waren in dit geval wel van uitzonderlijk kaliber, maar toch: in vergelijking met de hoogte van smartengeld op andere gebieden dan onrechtmatige publicaties, lijkt het toegekende bedrag tamelijk fors. Ook de vergoedingen een klasse lager —wegens belediging op grond van art. 1408 oud BW werden in de loop der tijd ook bedragen van ƒ10.000,-, ƒ25.000,- en ƒ35.000,- toegekend— lijken stevig.
Om een vergelijking te geven: een huurder die zijn huis was uitgepest moest het in 1995 doen met ƒ1.000,-. #noot 2   Volgens Bolt & Spier lag normaal gesproken het maximale bedrag aan immateriële schadevergoeding bij zeer zwaar (lichamelijk) letsel, bijvoorbeeld blind worden aan beide ogen, op zo’n ruim ƒ100.000,- (prijspeil 1993). #noot 3   Wat dat betreft komt het onder het oude recht toegekende smartengeld in drie gevallen van onrechtmatige publicatie van (naakt)foto’s ad ƒ5.000,- (in NJ 1988, 277 en NJ 1986, 636) en ƒ1.000,- (NJ 1990, 370) evenwichtiger voor. Maar goed, geestelijk leed laat zich moeilijk vergelijken, en kraaiende hanen waren volgens hof en Hoge Raad ooit ook goed voor ƒ10.000,- smartengeld (NJ 1997, 134).

Nieuw BW

In een behoorlijk aantal van de 250 zaken die ik signaleerde werd geen (voorschot op) immateriële schadevergoeding gevorderd, of was niet duidelijk op wat voor schade of kosten het gevorderde bedrag betrekking had. Waar wel expliciet een bedrag aan immateriële schadevergoeding werd geëist (in ongeveer vijftig zaken), werd het door wethouder Stuart gevorderde meerdere malen voorbijgestreefd; slechts eenmaal werd ook een hoger bedrag toegekend.
Een paar ‘hoge’ cijfers uit zaken die draaiden om perspublicaties of TV-uitzendingen waarin eisers werden beschuldigd van fraude of  betrokkenheid bij (zware) criminaliteit: van de Telegraaf werd ƒ1.000.000,- geëist (afloop mij nog onbekend); tegen Meulenhoff ƒ100.000,- (niets toegekend want geen onrechtmatige publicatie); FNV tegen RTL4 ƒ100.000,- (ƒ25.000,- toegekend), tegen Panorama ƒ50.000,- exclusief omzetbelasting (ƒ7.500,- toegekend); tegen Penthouse ƒ50.000 (ƒ30.000,- toegekend). #noot 4
De klapper sinds Stuart/Nieuwe Revu is Mr. X/Van de Bunt. Professor Van de Bunt schreef voor de Commissie van Traa een onderzoek dat als bijlage bij het IRT-rapport werd gepubliceerd. De rechtbank kende ƒ150.000,- aan smartengeld toe (geeïst was een miljoen) omdat mr. X was getypeerd als een ‘foute’ advocaat die zijn ambt heeft misbruikt c.q. heeft laten misbruiken doordat hij verwijtbaar betrokken is geweest bij criminele activiteiten van de georganiseerde misdaad. Volgens de rechtbank kon het onderzoek van Van de Bunt deze typering niet dragen. Mr. X was geschaad in zijn eer en goede naam als bedoeld in artikel 6:106 lid 1 sub b BW, zodat hij aanspraak kon maken op immateriële schadevergoeding. De hoogte van de vergoeding baseerde de rechtbank mede op de positie van de eiser (voor advocaten is het hebben van een goede naam essentieel, aldus de rechtbank), en de aard van de in het rapport geuite beschuldigingen (Rb. Arnhem 4 januari 1999, Mediaforum 1999-5, nr. 27 m.nt. A.J. Nieuwenhuis).

Uit de showbussiness en sport bekende Nederlanders eisen naar het lijkt lagere bedragen dan ‘onbekende’ Nederlanders die tot hun ongenoegen worden getrakteerd op ’15 minutes of fame’. Ze krijgen zogezegd wel meer geld voor hun eis, want het toegekende smartengeld ligt bij BN’ers hoger dan bij Jan met de Pet.
Als we de incidentele forse uitschieters buiten beschouwing laten, is het door Bekende Nederlanders gevorderde bedrag voor perspublicaties de laatste jaren gemiddeld ƒ25.000,-, met ƒ25.000,- of ƒ10.000,- als meestvoorkomende gevorderde bedragen (gebaseerd op elf zaken). De gewone burger eistte gemiddeld wat meer, nl. ƒ30.000,- met als favoriete bedragen ƒ10.000,- en ƒ50.000,- (negentien zaken). De toegekende immateriële schadevergoeding voor niet-BN’ers (elf gevallen) lag op twee gevallen na op ƒ7.500,- of minder. BN’ers kregen ietsje vaker smartgeld en ook hogere bedragen: op zeven toekenningen waren vier gevallen met een bedrag van ƒ10.000, éen van ƒ15.000,-. Geen echte uitschieters dus aan toegekende bedragen waar het public figures betreft.
Bij perspublicaties over min of meer onbekende Nederlanders zijn er wel uitschieters. Ik noemde al de zaak Mr X. Veel minder dan hij, maar behoorlijk meer dan gemiddeld, kreeg een wetenschapper die onderzoek doet naar pedofilie, namelijk ƒ30.000,- (zie noot 5). In Penthouse werd hij er o.m. van beschuldigd een invloedrijk lid van een internationaal pedofilie-netwerk te zijn. De rechter achtte de eiser als wetenschapper en privé-persoon ernstig in diskrediet gebracht, en hield zich blijkbaar in, met de —terechte— constatering dat bij het toekennen van een geldvordering in kort geding terughoudendheid  op zijn plaats is.
In reality TV zaken kwam ik vorderingen tegen van ‘private figures’ die doorgaans tussen de ƒ10.000,- en ƒ30.000,- liggen met uitschieters van ƒ200.000,- (misdaadprogramma deels gefilmd met verborgen camera, eiser herkenbaar, ƒ5.000,- toegekend) en ƒ100.000,- (berichtgeving in Avro Televizier over verdachte van sexueel misbruik; vordering afgewezen want kort geding leent zich niet voor benodigd onderzoek naar de feiten). #noot 5

Het hoogst toegekende bedrag betrof ƒ10.000,-, een zaak die verband hield met incest. In een item over die zaak zond RTL beelden uit van eiseres, een moeder die gefilmd was tijdens haar aanwezigheid in de rechtszaal waar haar klacht inzake niet-vervolging van de moord op haar baby behandeld werd. De president oordeelde dat dit een zeer diepe ingreep in het privé-leven van de moeder. RTL vond het toegekende bedrag exorbitant hoog, in beroep volgde het hof echter de president. #noot 6  Onder de ‘bekende’ personen en instellingen streek de FNV het meest op naar aanleiding van een onrechtmatige uitzending, nl. ƒ25.000,- in de zaak tegen Peter R. de Vries en RTL4 (zie noot 4).
Gezien de ‘impact’ die televisie geacht wordt te hebben (zie Van Boxtel daarover elders in dit nummer), verwacht men wellicht dat de gevorderde en vooral toegekende bedragen bij onrechtmatige TV-uitzendingen hoger zijn dan bij uitingen via de drukpers. Mijn onderzoekje rechtvaardigt die verwachting niet. In de acht TV-zaken die ik vond, werd zes maal smartengeld toegekend, waarvan viermaal ƒ5.000,- of minder. Dat is dus niet meer dan bij onrechtmatige perspublicaties.

Het mag duidelijk zijn: Schuijt had gelijk met zijn stelling dat de hoogte van smartengeld bij onrechtmatige publicaties niet significant zou toenemen. De uitschieters van nu zijn —gecorrigeerd voor inflatie— min of meer gelijk aan die onder het oud BW. De vaker voorkomende bedragen, tussen ƒ7.500,- en ƒ10.000,- zijn geenszins hoger dan wat vroeger voor belediging werd toegekend. Daar moet natuurlijk wel bij opgemerkt worden dat de lat voor smartengeld wegens aantasting van eer of goede naam (belediging) onder het oude recht hoger lag dan nu, vooral door het opzetvereiste. Een succesvolle actie op grond van art. 1408 BW leidde zo wellicht tot een hogere schadevergoeding. Wat me in het quick & dirty jurisprudentie-onderzoek opviel was dat er een duidelijker modaal bedrag is dan voorheen, de schommelingen in toegekende bedragen zijn niet zo wispelturig als vroegern. Saillant detail is natuurlijk dat de hoogste claims van advocaten komen.

 

 


1    Zie o.m. Hof Den Bosch 16 maart 1994, NJ 1994, 751 (Goumans/De Limburger e.a.); Van Nispen (Onrechtmatige Daad 2), Art. 167, aant. 1, 13, 31; Schuijt, ‘De rechtzetting in het recht’, in: G.A.I. Schuijt (red.) Rectificatie. Amsterdam: Otto Cramwinckel 1989, p. 13-21.

2  T. Deurvorst, Schadevergoeding (losbl.), Art. 106, aant. 21A.

3  Bolt & Spier, De uitdijende aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad (Handelingen NJV 1996-I), Deventer: Kluwer 1996, p. 344.

4  Hof Amsterdam 26 februari 1998 (ongepubl., zie Mediaforum 1998-7/8, p. 214; Hammerstein/Telegraaf); Hof Amsterdam 5 juni 1997 (ongepubl., zie Mediaforum 1997-7/8, p. 118; S./Schutten & Meulenhoff); Rb. Amsterdam 8 oktober 1997, Mediaforum 1997-11/12, p. B157 (FNV/De Vries e.a.); Pres. Rb. Amsterdam 13 augustus 1998 (ongepubl., zie Mediaforum 1998-9, p. 250; Hoogendijk/Panorama); Pres. Rb. Utrecht 25 februari 1997 (ongepubl., zie Mediaforum 1997-7/8,p. 119; Universiteit Utrecht e.a./Penthouse).

5  Hof Amsterdam 2 februari 1995, NJ 1996, 205 (X./TROS); Pres. Rb. Amsterdam 6 februari 1996 (ongepubl., Karrenbeld/AVRO, zie Mediaforum 1996-3, p. 46).

6  Pres. Rb. Amsterdam 28 april 1994, Mediaforum 1994-7/8, p. B70 (Eveline van B./RTL); Hof Amsterdam 8 december 1994, KG 1995, 274.


Geplaatst 06.11.2000