Anonimiteit en uitingsvrijheid op het Internet; het onthullen van identificerende gegevens door Internetproviders
Verschenen in Mediaforum 2002-11/12, p. 348-351.

Anton Ekker


 
Wie op het Internet schade lijdt door anonieme uitlatingen of anoniem geplaatste informatie zal doorgaans graag willen weten wie hiervoor verantwoordelijk is. Voor de hand ligt een vordering tegen de provider van de anonieme boosdoener. Dit artikel bespreekt een drietal procedures in Nederland waarin van een provider de afgifte van identificerende informatie werd geëist. Vervolgens wordt ingegaan op enkele vraagstukken die samenhangen met de anonimiteit en uitingsvrijheid van Internetgebruikers. Tenslotte komt de Amerikaanse 'John Doe' procedure aan de orde.

Jurisprudentie in Nederland

Tot nu toe is Nederland, voor zover mij bekend, slechts drie maal in een civiele procedure van een provider afgifte van namen en adressen van abonnees geëist. Twee maal ging het om inbreuken op auteursrecht, in het derde geval om onrechtmatigheid wegens het aanzetten tot sabotage. In Scientology/XS4all [1] betrof het onrechtmatige publicatie op het Internet van auteursrechtelijk beschermde werken van de Scientology-kerk door abonnees van provider XS4all. De kerk vorderde van XS4all afgifte van de namen en adressen van deze abonnees. De President van de rechtbank oordeelde dat van een provider kan worden verwacht dat hij de inbreukmakende documenten uit zijn computersysteem verwijdert indien hij van het onrechtmatig handelen in kennis is gesteld en aan de juistheid van die kennisgeving in redelijkheid niet valt te twijfelen. Tevens dient hij dan op verzoek van de rechthebbende naam en adres van de verantwoordelijke gebruikers bekend te maken.

In Deutsche Bahn/XS4all [2] ging het om een website van een groepering linkse activisten. Via XS4all was het mogelijk toegang te krijgen deze website, waar onder andere artikelen van het in Duitsland verboden linkse blad Radikal te vinden waren. In twee van deze artikelen werden tips gegeven over het saboteren van de Duitse Spoorwegen. [3] Deutsche Bahn spande een kort geding aan waarin zij eiste dat deze artikelen ontoegankelijk werden gemaakt. Deze eis werd door de Voorzieningenrechter ingewilligd. Daarnaast vorderde Deutsche Bahn afgifte van de namen en adressen van de gebruikers van de website. Zij stelde dat toegang tot de bron voor haar noodzakelijk was, teneinde te voorkomen dat de informatie met betrekking tot de sabotagehandleiding opnieuw gepubliceerd wordt bijvoorbeeld via andere service providers. De rechter was van oordeel dat Deutsche Bahn voldoende aannemelijk had gemaakt een rechtens te respecteren belang te hebben bij afgifte van de namen en adressen voorzover het ging om de houder(s) van de website. Een bevel tot afgifte van de namen en adressen van alle gebruikers van de websites, waaronder ook zijn begrepen de bezoekers van de websites, strekte naar zijn oordeel echter te ver. Het raadplegen van een website is op zichzelf immers niet onrechtmatig.

De meest recente procedure is Teleatlas N.V./Planet Media Group N.V. [4] . Teleatlas, een producent van computerprogrammatuur, vorderde dat Planet werd veroordeeld om naam, adres en woonplaats vrij te geven van een abonnee die op grote schaal illegale kopieën maakte van software waarop Teleatlas het auteursrecht heeft. Met deze gegevens zou Teleatlas juridische stappen kunnen ondernemen tegen deze persoon. De voorzieningenrechter oordeelde dat bij de beoordeling van de vraag of een dergelijke vordering kan worden toegewezen, de nodige terughoudendheid in acht moet worden genomen. Dit in verband met de onomkeerbaarheid van de beslissing. De gevraagde voorziening kan alleen dan worden toegewezen als met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid vaststaat dat de bodemrechter eveneens zal beslissen dat Planet de gevraagde NAW-gegevens dient te verschaffen (r.o. 4.2.)

De vordering van Teleatlas was gebaseerd op artikel 8 sub f van de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp). Dit artikel bepaalt dat verstrekking van persoonsgegevens door een verantwoordelijke (in casu Planet Media) aan derden alleen kan geschieden indien dit noodzakelijk is voor de behartiging van het gerechtvaardigde belang van die derde, tenzij het belang of de fundamentele rechten en vrijheden van de betrokkene, in het bijzonder het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer, prevaleert. Bij de beoordeling van de toelaatbaarheid van de verstrekking dient onder meer de vraag beantwoord te worden of het doel dat met de verwerking wordt nagestreefd ook langs andere weg kan worden bereikt. Planet bracht in haar verweer naar voren dat Teleatlas onvoldoende naar alternatieve wegen had gezocht. Zij noemde onder andere de mogelijkheid om de toegang van de klant tot het internet te blokkeren en het aanspreken van eBay, een veilingsite waarvan de anonieme boosdoener gebruik had gemaakt om de software te verspreiden. Ebay vermeldt op haar website dat zij gegevens van haar gebruikers openbaar maakt en afgeeft in geval van inbreuk op intellectuele eigendomsrechten. Verder had Teleatlas kunnen proberen via het rekeningnummer van de persoon in kwestie, zijn adresgegevens bij zijn bank te achterhalen. Tenslotte stond volgens Planet de met meer waarborgen omklede strafrechtelijke weg open. Voor een strafrechtelijke vervolging van de auteursrechtinbreuk zal het Openbaar Ministerie immers ook de identiteit van de boosdoener dienen te achterhalen.

Volgens de rechter was inderdaad niet komen vast te staan dat Teleatlas de gegevens niet op een andere wijze had kunnen achterhalen. De door Planet genoemde alternatieven waren door Teleatlas niet of nauwelijks weersproken en Teleatlas had, behoudens een telefoontje naar Justitie, geen pogingen ondernomen om de gegevens op andere wijze te verkrijgen. De vordering werd derhalve afgewezen.

Analyse van de drie uitspraken

De besproken uitspraken leveren geen eenduidig criterium op aan de hand waarvan kan worden beoordeeld of NAW-gegevens moeten worden vrijgegeven. Het Scientology-vonnis introduceert de regel dat bij een kennisgeving van onrechtmatig handelen waaraan in redelijkheid niet valt te twijfelen de informatie moet worden verwijderd en naam en adres van de gebruiker bekend moeten worden gemaakt. Visser signaleert in zijn noot bij het vonnis de problemen die dit criterium oplevert. [5] Wat te doen als deze anonymus een beroep doet op het citaatrecht, of wanneer op andere wijze onduidelijkheid bestaat over de juistheid van de kennisgeving? Men zou kunnen stellen dat de provider dan niet verplicht is naam en adres van de anonymus te onthullen. Dit heeft echter als gevolg dat de rechthebbende niemand kan aanspreken. De anonieme content-provider kent hij niet en de service provider is niet aansprakelijk zolang de juistheid van de kennisgeving niet vaststaat. Volgens Visser is dit een onwenselijke situatie en moet het voor een rechthebbende mogelijk zijn om die twijfel weg te nemen door tegen iemand een procedure te beginnen. Hij stelt daarom dat ook in gevallen waarin er in redelijkheid getwijfeld kan worden over de vraag of er al dan niet sprake is van auteursrechtinbreuk, de service provider toch, op straffe van mede- of zelfs volledige aansprakelijkheid, verplicht is de naam en het adres van de gebruiker/content provider bekend te maken. Dit uitgangspunt heeft echter als gevolg dat een service provider die de anonimiteit van zijn gebruiker wil garanderen zelf de aansprakelijkheid op zich moet nemen. De aansprakelijkheid kan door middel van een vrijwaring worden afgewenteld op de gebruiker, maar die zal in de meest gevallen onvoldoende verhaal bieden. Visser trekt zelf de conclusie dat service providers hierdoor waarschijnlijk niet meer zullen toestaan dat anoniem informatie wordt aangeboden op de homepages van gebruikers. Ook kan het zijn dat zij in hun algemene gebruiksvoorwaarden zullen opnemen dat de identiteit van een gebruiker op eerste verzoek aan een ieder bekend zal worden gemaakt.

Mijns inziens is er nog een ander probleem. Verwijdering van de informatie en onthulling van identiteit dienen afzonderlijk te worden beoordeeld. Wanneer de onrechtmatigheid is vastgesteld en ontoegankelijk maken dus geboden is, zal immers een aanvullend belang van de eiser aannemelijk moeten worden gemaakt om de onthulling van identiteit te rechtvaardigen. In de zaak Deutsche Bahn/XS4all lijkt de rechter ook van dit standpunt uit te gaan. Uit de onrechtmatigheid van de informatie volgt naar zijn mening niet automatisch een plicht om namen en adressen te verstrekken. Deutsche Bahn moet immers aannemelijk maken dat zij hierbij een 'rechtens te respecteren belang' heeft. Uit het vonnis wordt echter niet duidelijk op grond waarvan een dergelijk belang kan worden vastgesteld.

In de zaak van Teleatlas tegen Planet wordt weer een andere benadering gekozen. Deze uitspraak biedt de meest aanknopingspunten voor een evenwichtige beoordeling. Een belangrijke constatering is hier dat het onthullen van identiteit onomkeerbaar is. Dit is een belangrijk verschil met het ontoegankelijk maken van informatie. Informatie kan weer terug worden geplaatst op het Internet maar de anonimiteit van een Internetgebruiker kan niet meer worden hersteld. De noodzaak van een onthulling moet daarom extra streng worden beoordeeld. In deze zaak gebeurt dit aan de hand van artikel 8 sub f Wbp. [6] Hoewel de tekst van dit artikel weinig houvast geeft, volgt uit de Memorie van Toelichting dat de vereisten van het proportionaliteits- en het subsidiariteitsbeginsel moeten worden nageleefd. [7] De rechter is op dit punt erg streng. Dit lijkt mij een juiste benadering. Het is immers niet de bedoeling dat providers gebruikt gaan worden als private opsporingsinstantie voor een ieder die last heeft van informatie op het Internet [8] . Het door Planet aangedragen alternatief van de “met meer waarborgen omklede strafrechtelijke weg” lijkt mij echter niet reëel. Een burger of private instantie met een redelijk belang moet immers ook in staat worden gesteld om via de civiele weg het spoor te volgen van degene die inbreuk heeft gemaakt op zijn rechten. [9] De strafrechtelijke weg is geen daadwerkelijk alternatief omdat het Openbaar Ministerie niet verplicht is om tot vervolging over te gaan. Afhandeling via het strafrecht biedt de burger onvoldoende controle op een adequate behartiging van zijn belangen en heeft een te kleine kans van slagen. Overigens is het argument van de alternatieve mogelijkheden problematisch. Dit argument kan door iedere houder van persoonsgegevens, zoals bijvoorbeeld de door Planet genoemde bank van de anonymus, worden gebruikt. Uiteindelijk dient doorslaggevend te zijn bij wie de benodigde gegevens op de voor de betrokkene minst ingrijpende wijze kunnen worden verkregen. [10] Voor de betrokkene maakt het echter weinig uit of zijn gegevens via de provider, via E-bay of via zijn bank worden achterhaald.

Dit brengt ons op een ander punt. Gezien het grote belang dat een anonieme gebruiker bij de handhaving van zijn anonimiteit kan hebben, is het raadzaam dat hij in kennis wordt gesteld van de poging om zijn identiteit te achterhalen en dat hij de gelegenheid krijgt om zijn argumenten naar voren te brengen. Het zou daarom goed zijn wanneer aan de provider een “notificatieverplichting” wordt opgelegd, inhoudende dat hij verplicht is de klant in kwestie op de hoogte te stellen.

Vrijheid van meningsuiting

Er wordt in de uitspraken nauwelijks ingegaan op het belang van anonimiteit in het kader van de vrijheid van meningsuiting. Zowel het ontoegankelijk maken van de informatie, als het vrijgeven van de identiteit kan een belemmering vormen voor de vrije meningsuiting van de anonymus. In de Scientology-zaak ging de President van de rechtbank op beide problemen echter niet in. Hij overwoog slechts, zonder verdere argumentatie, dat door zijn oordeel het recht op vrijheid van meningsuiting zoals neergelegd in art. 10 EVRM niet werd geschonden. [11] De geringe aandacht voor de vrijheid van meningsuiting is hier waarschijnlijk een gevolg van het feit dat het ging om inbreuk op auteursrechten. In zulke gevallen wordt een beroep op de vrijheid van meningsuiting niet snel gehonoreerd. In het geval van Deutsche Bahn werd het beroep op vrijheid van meningsuiting eveneens verworpen. Een bevel tot het ontoegankelijk maken van de informatie was niet in strijd met de vrijheid van meningsuiting omdat de op de sites beschreven handelingen onrechtmatig waren jegens Deutsche Bahn en gevaar konden opleveren voor personen en zaken. [12] Op een mogelijk verband tussen de anonimiteit van Internetgebruikers en hun recht op vrijheid van meningsuiting werd niet ingegaan. In de uitspraak inzake Teleatlas werd de vrijheid van meningsuiting om begrijpelijke redenen niet als argument naar voren gebracht.

Ook de Hoge Raad heeft het belang van anonimiteit in het verleden te weinig onderkend. In het arrest Muurkranten overwoog zij dat een door een gemeentelijke overheid vastgesteld verbod om anonieme muurkranten op te hangen geen ontoelaatbare inbreuk is op artikel 7 Grondwet. Daarbij werd echter geen enkele aandacht besteed aan de bijdrage die anonimiteit zou kunnen leveren aan de vrije meningsuiting. [13] Het Europese Hof voor de Rechten van de Mens oordeelde in de zaak Goodwin wel dat journalisten het recht hebben om hun bronnen geheim te houden. Een journalistiek verschoningsrecht is een basisvoorwaarde voor de uitingsvrijheid en een bevel tot onthulling van een bron kan een 'chilling effect' hebben op de persvrijheid, aldus het Hof. [14] In het arrest Van den Biggelaar nam de Hoge Raad deze zienswijze over. [15] In geen van beide uitspraken werd echter ingegaan op het belang van anonimiteit voor de bron. Het ging hier dan ook in de eerste plaats om een recht van de journalist.

Wanneer zich in de toekomst procedures gaan voordoen over discriminatie, aantasting van eer en goede naam, belediging of het aanzetten tot haat zal de rechter dieper in moeten gaan op de relatie tussen anonimiteit en uitingsvrijheid. Hierop vooruitlopend is het wellicht zinvol enige aandacht te schenken aan de bescherming van anonieme uitingen in de Verenigde Staten. In de Verenigde Staten wordt het recht om anoniem te zijn al sinds lange tijd erkend als onderdeel van het recht op Freedom of Speech van het First Amendment. De politieke en staatkundige geschiedenis van dit land is dan ook doordrenkt van anonieme en pseudonieme meningsuitingen, variërend van essays over burgerrechten tot anonieme pamfletten. In de zaak Talley v. California [16] oordeelde het Supreme Court dat “anonymous pamphlets, leaflets, brochures and even books have played an important role in the progress of mankind. Persecuted groups and sects from time to time throughout history have been able to criticize oppressive practices and laws either anonymously or not at all.” In McIntyre v. Ohio [17] overwoog het hof dat under our Constitution, anonymous pamphleteering is not a pernicious, fraudulent practice, but an honorable tradition of advocacy and of dissent. Anonymity is a shield from the tyranny of the majority . Anonimiteit beschermt volgens het Supreme Court onpopulaire individuen tegen vergelding en hun ideeën tegen onderdrukking. De keuze voor anonimiteit kan zijn ingegeven door angst voor economische vergelding, het lastig gevallen worden door overheidsinstanties, sociale verbanning of louter door het verlangen om zoveel mogelijk van zijn privacy te bewaren.

De mogelijkheid om anoniem te zijn kan voor het individu bevrijdend werken. Hij hoeft niet langer bevreesd te zijn voor represailles. De bescherming van de anonimiteit stelt hem hierdoor beter in staat deel te nemen aan de openbare discussie en maakt het makkelijker om zich te ontplooien en op te komen voor zijn eigen belang. Bovendien stelt anonimiteit mensen in staat vertrouwelijk met elkaar van gedachten te wisselen over controversiële onderwerpen en een mening te vormen, alvorens men (al dan niet anoniem) in de openbaarheid treedt. Ten slotte kan men het recht om informatie te ontvangen uitoefenen zonder gehinderd te worden door het idee dat anderen meekijken. Zodoende wordt informatie voor meer mensen makkelijker toegankelijk. Denk aan de mogelijkheid om via het Internet informatie te verzamelen over seksueel overdraagbare aandoeningen en websites als die van Alcoholics Anonymous, waar mensen de gelegenheid krijgen om persoonlijke problemen met anderen te delen. Anonimiteit kan hier voor het individu in psychologische zin bevrijdend werken maar heeft ook een algemeen maatschappelijk nut.

Hier kan nog aan worden toegevoegd dat een zekere mate van anonimiteit gunstige effecten kan hebben voor het openbare debat. Controversiële meningen komen makkelijker in de openbaarheid wanneer het individu niet wordt gehinderd door het idee dat hij na het uiten van een mening misschien lastig gevallen zal worden door bedrijven of overheidsinstanties die niet gesteld zijn op kritiek. Onthulling van identiteit maakt het voor de partij die het onderwerp is van kritiek mogelijk de content-provider te achtervolgen met procedures. Zodoende kan men kritische geluiden het zwijgen opleggen. Alleen het dreigen met juridische procedures kan hiervoor al voldoende zijn. Dit blijkt bijvoorbeeld uit het conflict dat enige tijd geleden speelde tussen Radio 538 en de beheerders van de website Radiowereld.nl. De laatste onderhield tot augustus 2001 een forum met de naam “Mediaroddels” waarin bezoekers de laatste nieuwtjes over de mediawereld konden spuien. Bezoekers konden hun berichten anoniem plaatsen. De gebruikte pseudoniemen werden vermeld maar de identiteit van de afzenders was, voor zover deze te achterhalen viel, slechts bekend bij de beheerders van de site. De rubriek werd gebruikt voor het doen van allerlei beledigende uitlatingen aan het adres van medewerkers en dj's van radio 538. Zo werd van DJ Erik de Zwart gezegd dat hij een cokesnuiver is en dat hij “zijn kippen verkracht”. De zanger Gordon moest volgens andere bezoekers “als een MKZ-koe geruimd worden” omdat hij homoseksueel is. Andere homoseksuele werknemers van radio 538 moesten “een spuitje krijgen”. Radio 538, de werkgever van onder andere Erik de Zwart, dreigde naar aanleiding van de beledigingen met juridische stappen. Zij eiste dat de anonimiteit van de bezoekers werd opgeheven en dat beledigende bijdragen uit het forum verwijderd werden. De vrijwilligers van Radiowereld vreesden juridische procedures tegen het kapitaalkrachtige Radio 538 en stopten de roddelrubriek. [18]

Nu zijn de uitlatingen in de Radiowereld-casus misschien geen goed voorbeeld van anonymous speech die bescherming tegen de 'tyranny of the majority' nodig heeft. Velen zullen van mening zijn dat de uitspraken over het 'ruimen' van Gordon en 'spuitjes geven' te ver gaan en dat zij de bescherming van de uitingsvrijheid niet verdienen. Dit is echter niet waar het om gaat. Het is heel goed mogelijk dat de beledigingen aan het adres van Gordon en de medewerkers van Radiowereld onrechtmatig zijn en dat het onrechtmatige karakter de doorbreking van anonimiteit rechtvaardigt. Als dit zo is, dient dit echter vastgesteld te worden door de rechter. Hij dient de belangen van de anonieme afzenders en de slachtoffers van de beledigende uitlatingen tegen elkaar af te wegen. Het recht om anoniem te blijven moet daarbij steeds gelden als een hoofdregel, ook wanneer de inhoud van uitlatingen weinig verheffend is. De afweging wordt nu overgelaten aan de beheerders van de Radiowereld-site. Zij willen de anonimiteit van de bezoekers aanvankelijk beschermen maar worden vervolgens zelf aansprakelijk gesteld, waardoor ze uiteindelijk gedwongen zijn om de hele rubriek uit de lucht te halen. Daarmee worden ook onschuldige bezoekers getroffen.

John Doe procedures in de Verenigde Staten

De constitutionele bescherming van anonimiteit heeft in de Verenigde Staten geleid tot een aantal uitspraken over de doorbreking van anonimiteit door Internetproviders. [19] Het gaat daarbij om de zogenaamde “John Doe” [20] law suits. Procedureel verschillen zij van de Nederlandse procedures doordat zij gericht zijn tegen de anonymus en niet tegen de provider zelf. De provider is hier dus geen procespartij. Hij wordt slechts ingeschakeld om de anonymus te identificeren.

In de zaak Doe v. 2The Mart.com, Inc. [21] benadrukte de rechter dat gevallen waarin eisers de onthulling van de identiteit van anonieme Internetgebruikers verzoeken aan extra kritisch onderzoek moeten worden onderworpen. Om te bepalen of het belang van de eiser zwaarder weegt dan het First Amendment moet een vier-stappen-toets worden doorlopen. Voordat de rechter een ISP'er of een andere tussenpersoon beveelt om de identiteit van de gedaagde vrij te geven dient hij na te gaan of: (1) de dagvaarding te goeder trouw is uitgebracht en geen onbetamelijk doel nastreeft, (2) de informatie die die eiser verlangt in verband staat met een belangrijke eis of verweer, en (3) de identiteitsgegevens “directly and materially relevant” zijn voor die eis of dat verweer. Aan deze drie eisen werd in In re Subpoena Duces Tecum to America Online [22] nog de eis toegevoegd dat de benodigde informatie niet uit andere bron kan worden verkregen. Een rechter in New Jersey was nog strenger en verlangde van de eiser dat hij zich inspande om de anonieme gedaagde op de hoogte te stellen van de poging om zijn identiteit te achterhalen. Zodoende zou de gedaagde een redelijke mogelijkheid hebben om op de aantijgingen te reageren. De eiser moest daarnaast duidelijk aangeven welke laakbare uitingen elk van de afzonderlijke gedaagden gedaan had. [23]

Conclusie

De kans is groot dat procedures ter doorbreking van anonimiteit zich in Nederland vaker voor gaan doen. Het is te hopen dat rechters in hun uitspraken voldoende gewicht zullen toekennen aan het belang van Internetgebruikers bij hun anonimiteit. Hoofdregel dient te zijn dat anonimiteit slechts op basis van een zwaarwegend belang mag worden doorbroken. Juist omdat de betrokkene anoniem is, zal hij zich immers moeilijk tegen het onthullen van zijn identiteit kunnen verzetten. In de rechtspraak dient daarom een procedure te worden ontwikkeld die heldere criteria geeft voor het afwegen van belangen en de betrokkene in de gelegenheid stelt zijn kant van het verhaal, bijvoorbeeld via de provider, kenbaar te maken. Hoewel de Amerikaanse vier-stappen-toets procesrechtelijk waarschijnlijk niet zonder meer toepasbaar is in Nederland, kunnen de daarin gebruikte criteria goed als voorbeeld dienen.

[1] Pres. Rb. 's-Gravenhage 9 juni 1999, Mediaforum 1999-7/8, nr. 37 m.nt. D.J.G. Visser (Scientology/XS4ALL).

[2] Vzr. Rb. Amsterdam, 25 april 2002, KG 02/790 OdC, Mediaforum 2002-6, nr. 24 (Deutsche Bahn/XS4all).

[3] In één van de artikelen werden aanwijzingen gegeven met betrekking tot het stoppen, vertragen of anderszins saboteren van het treinverkeer van Deutsche Bahn. Ook werd beschreven hoe een haakklauw kan worden vervaardigd, waarmee elektrische bovenleidingen van het spoorwegnetwerk kunnen worden vernield.

[4] Vzr. Rb. Utrecht, 9 juli 2002, KG ZA 02-563, (Teleatlas N.V./Planet Media Group N.V.). Zie http://www.rechtspraak.nl/uitspraak/frameset.asp?ljn=AE5537.

[5] Zie voor de noot van Visser Mediaforum 1999-7/8, p. 207 (Scientology/XS4ALL).

[6] Volgens Steenbruggen is artikel 8 hier niet het juiste artikel om aan te toetsen omdat het in geen enkel geval een plicht tot verstrekking in het leven roept. Zie de noot van Steenbruggen bij Rb. Utrecht, 9 juli 2002, KG ZA 02-563, Computerrecht 2002/5.

[7] Overweging 4.3. van het vonnis. Artikel 8 eerste aanhef en onder sub f Wbp luidt: Persoonsgegevens mogen slechts worden verwerkt indien de gegevensverwerking noodzakelijk is voor de behartiging van het gerechtvaardigde belang van de verantwoordelijke of van een derde aan wie de gegevens worden verstrekt, tenzij het belang of de fundamentele rechten en vrijheden van de betrokkene, in het bijzonder het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer, prevaleert.

[8] Zie ook S. Nas, 'De privacy spagaat', Mediaforum 2001-11/12, p. 334 e.v.

[9] Zie het standpunt van de overheid in de nota "Wetgeving voor de elektronische snelweg"; voor onrechtmatige handelingen in de digitale omgeving moet altijd een verantwoordelijke zijn aan te wijzen. Het handhaven van rechten is voor de burger alleen mogelijk wanneer hij, net als de opsporingsautoriteiten, in staat wordt gesteld om het elektronische spoor van de inbreukmaker te volgen. Kamerstukken II 1997-1998, 25880, nrs. 1-2, p. 5-6.

[10] De Memorie van Toelichting benadrukt dat de gegevensverwerking niet is toegestaan indien de belangen van de derde met minder ingrijpende middelen kunnen worden gediend. Zie Kamerstukken 1997/1998, 25892, nr. 3, p 86.

[11] R.o. 17.

[12] R.o. 10.

[13] HR 24 juni 1980, NJ 1981, 659 (Muurkrant Utrecht). Volgens de Meij baseerde de Hoge Raad haar oordeel gedeeltelijk op ondeugdelijke gronden. Zie J. M. de Meij, 'Utrechtse Muurkrant-verordening is onverbindend', Tijdschrift voor openbaar bestuur 1980, p. 121-125.

[14] EHRM 27 maart 1996, NJ 1996, 577 (Goodwin) Hoofdregel is dat een journalist ten overstaan van de rechter zijn bronnen niet hoeft te onthullen, tenzij aannemelijk wordt gemaakt dat de in het tweede lid van artikel 10 EVRM genoemde belangen en de bijzondere omstandigheden van het geval openbaarmaking van de bron noodzakelijk maken.

[15] HR 10 mei 1996, NJ 1996, 578 (Van den Biggelaar).

[16] Talley v. California, 362 U.S. 60 (1960).

[17] McIntyre v. Ohio Elections Comm'n, 514 U.S. 334 (1995).

[18] Zie o.a. http://www.webwereld.nl/nieuws/8161.phtml en http://www.volkskrant.nl/nieuws/nieuwemedia/996733024151.html.

[19] Slachtoffers van kritiek sporen via een John Doe procedure vaak mensen op die op message boards kritiek op hen geuit hebben. Dit gaat meestal als volgt: een bedrijf of instantie spant een zaak aan tegen de anonieme afzender/content-provider op grond van 'libel' of 'defamation'. In deze procedure wordt de provider gedwongen om de identiteit van zijn klant te onthullen. Hierna wordt de procedure gestopt en wordt een nieuwe procedure aangespannen tegen de ontmaskerde criticus, of een andere actie ondernomen (bijvoorbeeld ontslag als de criticus een werknemer blijkt te zijn). Het bezwaar van deze gang van zaken is het feit dat rechters vaak bereid zijn een bevel tot ontmaskering te geven, ook wanneer niet vaststaat dat de eisende partij een legitiem belang heeft.

[20] In de Verenigde Staten en Canada word de benaming John of Jane Doe gebruikt voor een anonieme, onbekende of algemene persoon. De term wordt ook gebruikt in procedures tegen personen waarvan de identiteit onbekend is.

[21] Doe v. 2TheMart.com, Inc., 140 F. Supp. 2d 1088, 1093 (W.D. Wash. 2001).

[22] In re Subpoena Duces Tecum to America On-line, Inc., 52 Va. Cir. 26 (Cir. Ct. Fairfax county 2000).

[23] Dendrite International, Inc. v. Doe, 342 N.J. Super. 134 (App. Div. 2001).


Geplaatst 12.11.2002