Koninklijke veiligheidsdienst (werkt ook voor Nederland)
verschenen in: Mediaforum 2003-4, p. 117.

Anton Ekker


In de afgelopen weken kwam via de media naar buiten dat de Binnenlandse Veiligheidsdienst (tegenwoordig: AIVD) in de Margarita-affaire zijn boekje flink te buiten is gegaan. De dienst maakte een vťrgaande inbreuk op de privacy van Margarita en haar echtgenoot zonder de geldende wettelijke voorschriften in acht te nemen.

In januari 2000 vroeg de directeur van het Kabinet der Koningin (KdK), Felix Rhodius, de Binnenlandse Veiligheidsdienst een onderzoek te doen naar Edwin de Roy van Zuydewijn. De BVD onderzocht daarop zijn eigen bestanden, die van Justitie, de gemeentelijke basisadministratie, het Kadaster, de Belastingdienst en ten slotte dossiers van de Sociale Dienst. De uitkomsten van het onderzoek werden aan Rhodius verstrekt onder de voorwaarde dat hij de gegevens niet aan 'onbevoegde derden' mocht verstrekken. Rhodius stelde vervolgens echter de vader van prinses Margarita, Carlos Hugo de Bourbon Parma, en haar oudste broer op de hoogte. Later werd ook prins Bernhard ingelicht. Hoewel het hoofd van de BVD volgens artikel 11 van de oude Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten (WIV) de minister van Binnenlandse Zaken bij voortduring in kennis dient te stellen van 'al hetgeen van belang kan zijn', gebeurde dit alles buiten de minister om. Onno Koerten, het plaatsvervangend hoofd van de BVD onder wiens verantwoordelijkheid het onderzoek plaatsvond, vond het niet nodig zijn directe baas en de verantwoordelijke minister op de hoogte te stellen. Er was immers slechts 'naslag' gedaan.

Men kan zich afvragen of het onderzoek naar De Roy van Zuydewijn, gezien de taakomschrijving van de BVD, eigenlijk wel te rechtvaardigen was. Volgens artikel 8 lid 2 onder a van de WIV heeft de BVD onder andere tot taak 'gegevens te verzamelen omtrent personen en organisaties die aanleiding geven tot het ernstige vermoeden dat zij een gevaar vormen voor het voortbestaan van de democratische rechtsorde, dan wel voor de veiligheid of voor andere gewichtige belangen van de staat.' Was de enkele omstandigheid dat De Roy van Zuydewijn als toekomstig lid van de koninklijke familie dicht bij de Koningin zou komen te staan, gecombineerd met enige bedenkingen omtrent zijn verleden, in dit licht eigenlijk wel voldoende? Het is achteraf moeilijk vast te stellen, temeer omdat niet precies bekend is welke omstandigheden precies aanleiding vormden voor het onderzoek. [1] Bovendien zijn de criteria van artikel 8 WIV erg rekbaar. De feitelijke gang van zaken wekt echter sterk de indruk dat het onderzoek in de eerste plaats werd gedaan omdat Koningin Beatrix dat wilde.

Het belangrijkste twistpunt in de Tweede Kamer betrof de verstrekking van de verkregen informatie door de BVD aan het KdK en door het KdK aan familieleden van prinses Margarita. Artikel 12 WIV bepaalt dat het hoofd van de BVD door de betrokken minister kan worden gemachtigd andere overheidsorganen en -diensten gegevens rechtstreeks ter kennis te brengen. Deze bepaling had de verstrekking aan het KdK kunnen rechtvaardigen indien de minister van het onderzoek op de hoogte was geweest en een machtiging had verleend. Dit was zoals wij nu weten echter niet het geval. Verstrekking aan de familieleden en prins Bernhard had, met machtiging van de minister, door de BVD kunnen plaatsvinden op basis van artikel lid 16 lid 2 WIV dat ziet op de verstrekking van persoonsgegevens aan anderen dan overheidsorganen. Om het ontbreken van een machtiging recht te breien wringt Balkenende zich in vreemde bochten. De BVD zou, aldus premier Balkenende, bevoegd zijn om aan personen en instanties die belast zijn met de bescherming van 'gewichtige belangen' als bedoeld in de taakomschrijving van de dienst (de zogenaamde 'belangendragers') gegevens te verstrekken. Balkenende schept zodoende een nieuwe, buitenwettelijke, categorie van personen om de vereisten van de wet te omzeilen. Het begrip 'belangendrager' (een typisch voorbeeld van JPB-jargon) komt in de wet niet voor en heeft in de discussie dan ook geen enkele betekenis. Waarom zouden de vader en de broer van prinses Margarita bovendien als zodanig moeten worden bestempeld? Zij bekleden geen officiŽle politieke of ambtelijke functie maar zijn slechts leden van de familie.

In de brief aan de Kamer schrijft Balkenende dat een machtiging voor verstrekking van gegevens door het KdK, indien deze zou zijn gevraagd, door de minister van Binnenlandse Zaken op aanvraag van het hoofd van de BVD aan deze zou zijn verleend (en dus niet aan het KdK). [2] Deze opmerking komt als mosterd na de maaltijd maar geeft wel aan dat verstrekking van informatie door het KdK in strijd met de wet heeft plaatsgevonden. Het kan immers niet de bedoeling zijn dat informatie die door de BVD alleen met machtiging van de minister kan worden verstrekt, door het KdK zomaar kan worden verspreid.

De rol van de BVD in de Margarita-affaire verdient al met al geen schoonheidsprijs. De dienst heeft zich voor het karretje van de Koningin laten spannen en lapte belangrijke wettelijke voorschriften aan zijn laars. Dit is zorgelijk aangezien de democratische controle op de Binnenlandse Veiligheidsdienst toch al vrij beperkt is.

De kamerleden Van Bommel en Halsema dienden vorige week een motie in waarin de regering werd verzocht om onderzoeken naar (toekomstige) leden van de koninklijke familie in de toekomst te laten vallen onder de Wet veiligheidsonderzoeken.[3] Deze wet maakt het mogelijk onderzoek te verrichten naar personen met functies die de mogelijkheid bieden de nationale veiligheid te schaden (de zogenaamde vertrouwensfuncties). Een veiligheidsonderzoek kan slechts plaatsvinden met medeweten en instemming van de betrokkene en vereist dat de verantwoordelijke minister op de hoogte word gesteld. De motie werd uiteindelijk ingetrokken omdat minister Donner toezeggingen had gedaan andere, meer geschikte wettelijke waarborgen in het leven te roepen. Laten we hopen dat Donner de daad bij het woord voegt.


[1] Zie voor de bespreking in de Tweede Kamer Handelingen II 2002-2003, nr. 48, Tweede Kamer, p. 3173-3232.

[2] Kamerstukken II, 2002/2003, 28811, nr.1.

[3] Kamerstukken II, 2002/2003, 28811, nr.3.


Geplaatst 15.04.2003