|
Vorig
jaar verschenen in Nederland en Duitsland twee
publicaties over anonimiteit. In de Engelstalige
Information Technology & Law Series kwam, als
uitvloeisel van een in 2000 gehouden workshop aan de
universiteit van Tilburg, een boek uit met de titel Digital
Anonymity and the Law. Het Duitse boek heet Anonymität
im Internet. Grundlagen, Methoden und Tools zur
Realisierung eines Grundrechts. Beide publicaties
bestaan uit een verzameling van artikelen die
verschillende juridische aspecten van anonimiteit
belichten. Er wordt daarbij specifiek ingegaan op
vraagstukken die anonimiteit met zich meebrengt in de
digitale omgeving.
De
Duitse publicatie bevat een aantal artikelen over de
grondslagen van een recht op anonimiteit die vanwege hun
theoretische diepgang de moeite van het lezen waard
zijn. Von Mutius, hoogleraar aan de universiteit van
Kiel, stelt de vraag of er een subjectief recht op
anonimiteit zou moeten worden aanvaard. Als dogmatische
grondslagen voor een dergelijk recht kiest een op
communicatie toegespitste interpretatie van het algemeen
persoonlijkheidsrecht. In Duitsland dient het algemeen
persoonlijkheidsrecht als basis voor een recht op
bescherming van de privé-sfeer en als fundament voor
alle ‘persönlichkeitsrechte, dat wil zeggen, alle
rechten die de zeggenschap van het individu over een
bestanddeel van de eigen ‘persönlichkeitssphäre’
verlenen. Hoewel het algemeen persoonlijkheidsrecht in
Nederland een minder prominente rol vervult en daardoor
minder snel als grondslag zal kunnen dienen is de
grondige analyse van het verband tussen anonimiteit en
constitutionele waarden ook voor de Nederlandse situatie
van belang. Interessant is ook de bijdrage van Rössler,
als hoogleraar verbonden aan de faculteit der
Wijsbegeerte van de Universiteit van Amsterdam. Zij
bespreekt het verband tussen anonimiteit en de autonomie
van het individu in de context van het recht op
eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. In haar
benadering houdt autonomie in dat een persoon zelf kan
beslissen hoe hij leven wil en dat hij in staat wordt
gesteld een eigen identiteit te vinden, zonder controle
door de maatschappij of de staat. De intensieve
registratie en verwerking van gegevens over personen en
over menselijk handelen in de informatiemaatschappij is
een concrete bedreiging van individuele autonomie, aldus
Rössler. De overige bijdragen gaan in op de bescherming
van anonimiteit in de rechtspraktijk. Zo spelen de
bescherming van anonieme communicatiemogelijkheden onder
andere een rol bij de regulering van elektronische
handel.
De
bijdragen in het boek van de universiteit van Tilburg
zijn afkomstig uit Nederland, België, Duitsland, de
Verenigde Staten, het Verenigd Koninkrijk en Nieuw
Zeeland. Door de internationale verscheidenheid van de
bijdragen wordt duidelijk dat in verschillende
rechtssystemen op uiteenlopende wijze wordt omgegaan met
de uit anonimiteit voortvloeiende spanning tussen
vrijheidsrechten en rechtshandhaving. Zo wordt de
afweging tussen constitutionele belangen van anonieme
Internetgebruikers enerzijds en de handhaving van
intellectuele eigendomsrechten anderzijds (m.a.w.:
wanneer kan anonimiteit worden doorbroken ter handhaving
van private belangen?) in de Verenigde Staten opgelost
via een toetsing aan de vrijheid van meningsuiting,
terwijl men deze spanning in Europa vaak opvat als een
privacyprobleem. Belangwekkend is het artikel van
Froomkin, professor aan de University of Miami School of
Law. Volgens hem is in de Verenigde Staten momenteel
sprake van een paradoxale situatie: hoewel anonieme
communicatie daar traditioneel constitutionele
bescherming krijgt als onderdeel van de Freedom of
Speech worden ter bestrijding van terroristische
dreiging tegelijkertijd wetgevende maatregelen
doorgevoerd die dat recht vergaand beperken. Dezelfde
paradox bestaat, in een andere vorm, ook in Europa en
Nederland. Europese privacyrichtlijnen beschermen
allerlei soorten gegevens in de communicatiesfeer maar
ook hier wordt die bescherming gedeeltelijk weer te niet
gedaan door wetgeving die voorziet in verruimde
bevoegdheden voor overheidsinstanties om identificerende
gegevens te verzamelen. Illustratief zijn het
wetsvoorstel gegevensvergaring in strafvordering en de
discussie over een bewaarplicht van zgn.
verkeersgegevens (dit zijn gegevens over communicatie
die door telecommunicatieaanbieders worden verzameld).
Een belangrijk onderwerp, dat onder andere door Froomkin
en Alexandra Sims wordt behandeld, betreft de
mogelijkheid om in een ‘John Doe’-procedure met hulp
van de rechter de identiteit van een anonieme
Internetgebruiker te achterhalen. In de Verenigde Staten
zijn al vele van dergelijke procedures gevoerd. Dit
heeft geleid tot criteria voor de afweging van de
verschillende belangen die bij de handhaving of juist
bij de doorbreking van anonimiteit zijn gemoeid. Minpunt
van de Tilburgse bundel is dat verschillende artikelen
elkaar inhoudelijk overlappen, voornamelijk waar het
gaat om de theoretische benaderingen van het concept
anonimiteit en de analyse van het reeds genoemde dilemma
tussen de bescherming van grondrechten en de handhaving
van het recht. Niettemin is ook dit boek zeer de moeite
van het lezen waard.
Anton Ekker |