Boekbespreking: juridische aspecten van anonimiteit op het Internet.
Verschenen in Mediaforum, 2004-2, p.38

Anton Ekker


 

Vorig jaar verschenen in Nederland en Duitsland twee publicaties over anonimiteit. In de Engelstalige Information Technology & Law Series kwam, als uitvloeisel van een in 2000 gehouden workshop aan de universiteit van Tilburg, een boek uit met de titel Digital Anonymity and the Law. Het Duitse boek heet Anonymität im Internet. Grundlagen, Methoden und Tools zur Realisierung eines Grundrechts. Beide publicaties bestaan uit een verzameling van artikelen die verschillende juridische aspecten van anonimiteit belichten. Er wordt daarbij specifiek ingegaan op vraagstukken die anonimiteit met zich meebrengt in de digitale omgeving.

De Duitse publicatie bevat een aantal artikelen over de grondslagen van een recht op anonimiteit die vanwege hun theoretische diepgang de moeite van het lezen waard zijn. Von Mutius, hoogleraar aan de universiteit van Kiel, stelt de vraag of er een subjectief recht op anonimiteit zou moeten worden aanvaard. Als dogmatische grondslagen voor een dergelijk recht kiest een op communicatie toegespitste interpretatie van het algemeen persoonlijkheidsrecht. In Duitsland dient het algemeen persoonlijkheidsrecht als basis voor een recht op bescherming van de privé-sfeer en als fundament voor alle ‘persönlichkeitsrechte, dat wil zeggen, alle rechten die de zeggenschap van het individu over een bestanddeel van de eigen ‘persönlichkeitssphäre’ verlenen. Hoewel het algemeen persoonlijkheidsrecht in Nederland een minder prominente rol vervult en daardoor minder snel als grondslag zal kunnen dienen is de grondige analyse van het verband tussen anonimiteit en constitutionele waarden ook voor de Nederlandse situatie van belang. Interessant is ook de bijdrage van Rössler, als hoogleraar verbonden aan de faculteit der Wijsbegeerte van de Universiteit van Amsterdam. Zij bespreekt het verband tussen anonimiteit en de autonomie van het individu in de context van het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. In haar benadering houdt autonomie in dat een persoon zelf kan beslissen hoe hij leven wil en dat hij in staat wordt gesteld een eigen identiteit te vinden, zonder controle door de maatschappij of de staat. De intensieve registratie en verwerking van gegevens over personen en over menselijk handelen in de informatiemaatschappij is een concrete bedreiging van individuele autonomie, aldus Rössler. De overige bijdragen gaan in op de bescherming van anonimiteit in de rechtspraktijk. Zo spelen de bescherming van anonieme communicatiemogelijkheden onder andere een rol bij de regulering van elektronische handel.

De bijdragen in het boek van de universiteit van Tilburg zijn afkomstig uit Nederland, België, Duitsland, de Verenigde Staten, het Verenigd Koninkrijk en Nieuw Zeeland. Door de internationale verscheidenheid van de bijdragen wordt duidelijk dat in verschillende rechtssystemen op uiteenlopende wijze wordt omgegaan met de uit anonimiteit voortvloeiende spanning tussen vrijheidsrechten en rechtshandhaving. Zo wordt de afweging tussen constitutionele belangen van anonieme Internetgebruikers enerzijds en de handhaving van intellectuele eigendomsrechten anderzijds (m.a.w.: wanneer kan anonimiteit worden doorbroken ter handhaving van private belangen?) in de Verenigde Staten opgelost via een toetsing aan de vrijheid van meningsuiting, terwijl men deze spanning in Europa vaak opvat als een privacyprobleem. Belangwekkend is het artikel van Froomkin, professor aan de University of Miami School of Law. Volgens hem is in de Verenigde Staten momenteel sprake van een paradoxale situatie: hoewel anonieme communicatie daar traditioneel constitutionele bescherming krijgt als onderdeel van de Freedom of Speech worden ter bestrijding van terroristische dreiging tegelijkertijd wetgevende maatregelen doorgevoerd die dat recht vergaand beperken. Dezelfde paradox bestaat, in een andere vorm, ook in Europa en Nederland. Europese privacyrichtlijnen beschermen allerlei soorten gegevens in de communicatiesfeer maar ook hier wordt die bescherming gedeeltelijk weer te niet gedaan door wetgeving die voorziet in verruimde bevoegdheden voor overheidsinstanties om identificerende gegevens te verzamelen. Illustratief zijn het wetsvoorstel gegevensvergaring in strafvordering en de discussie over een bewaarplicht van zgn. verkeersgegevens (dit zijn gegevens over communicatie die door telecommunicatieaanbieders worden verzameld). Een belangrijk onderwerp, dat onder andere door Froomkin en Alexandra Sims wordt behandeld, betreft de mogelijkheid om in een ‘John Doe’-procedure met hulp van de rechter de identiteit van een anonieme Internetgebruiker te achterhalen. In de Verenigde Staten zijn al vele van dergelijke procedures gevoerd. Dit heeft geleid tot criteria voor de afweging van de verschillende belangen die bij de handhaving of juist bij de doorbreking van anonimiteit zijn gemoeid. Minpunt van de Tilburgse bundel is dat verschillende artikelen elkaar inhoudelijk overlappen, voornamelijk waar het gaat om de theoretische benaderingen van het concept anonimiteit en de analyse van het reeds genoemde dilemma tussen de bescherming van grondrechten en de handhaving van het recht. Niettemin is ook dit boek zeer de moeite van het lezen waard.

Anton Ekker


Geplaatst 27.02.2004