E-mail een ansichtkaart?
Dit artikel werd eerder gepubliceerd als gastcommentaar in Mediaforum 1997-7/8, p. 103

L.F. Asscher


 

Na de dramatische voetbalveldslag in Beverwijk verweet men de politie de ontmoeting tussen de hooligans niet voorkomen te hebben. Met matte machteloosheid werd geantwoord dat de afspraken waren gemaakt via 'GSM en zo', en dat er dus niets aan te doen was. Enige weken later verstuurden 'PSV-fans' voorafgaand aan de wedstrijd PSV-Ajax, enkele emails waarin zij zeggen 'graag een afspraak te willen maken voor 13 april'. 'Hartelijk gefeliciteerd met jullie dode, kutjoden, misschien dat wij er ook een van jullie zouden kunnen doden'. Hoewel de politie ondertussen had vastgesteld dat de berichten waren verstuurd door een 'snotneusje', nam justitie de zaak serieus en eiste inzage in de computerbestanden van Freemail[1]  teneinde de identiteit van de afzender te achterhalen. Hoewel dat bedrijf eerst principieel bezwaar maakte, stond het inzage toch toe, 'uit vrees voor rechterlijke dwang'.

Dit alles roept enige vragen op omtrent de bevoegdheden van de overheid tot het aftappen van moderne telecommunicatie. Naar aanleiding van deze problematiek maakte de minister van Verkeer en Waterstaat haar 'Beleidsvoornemens Bevoegd Aftappen Telecommunicatie'[2]  bekend. Daarin stelt zij voor niet alleen de traditionele netwerkbeheerders te verplichten het aftappen te faciliteren, maar ook de dienstenaanbieders. Naar verluidt worden de daarin gedane voorstellen ook overgenomen in het ontwerp voor de nieuwe Telecommunicatiewet.

Wat is thans de wettelijke basis om inzage te verkrijgen in emailbestanden? zo vroegen de kamerleden Van Zuijlen en Roethof de minister van Justitie. In haar antwoord geeft minister Sorgdrager aan dat het in dit geval niet gaat om het aftappen van telecommunicatie, zoals geregeld in de artikelen 125f-125h van het Wetboek van Strafvordering, maar om onderzoek van gegevens die zijn opgeslagen in geautomatiseerde werken, artikelen 125i-125n. De medewerking van de serviceprovider daartoe kan geschieden op vrijwillige basis of op bevel van de rechter-commissaris. Dat bevel kan dan worden gegeven op grond van artikel 125i Sv in de bij de wet omschreven gevallen.[3] 

De vrijwillige verstrekking door de provider zou het gevolg zijn van een afweging van belangen zoals is toegestaan krachtens artikel 11 lid 2 Wet Persoonsregistraties. Het afgeven aan derden van persoonsgegevens is toegestaan, indien dat geschiedt om een dringende en gewichtige reden en indien de persoonlijke levenssfeer van de geregistreerde daardoor niet onnodig wordt geschaad. De internetprovider is dan civielrechtelijk aansprakelijk indien de rechter oordeelt dat hij bovengenoemde belangenafweging verkeerd gemaakt heeft. De provider is, hoe hij die afweging ook maakt, niet verpl°cht tot medewerking.

De bovengenoemde afweging kan de provider echter alleen maken nadat hij kennis heeft genomen van de in zijn mailbox opgeslagen informatie. De vraag is of die kennisname niet onrechtmatig is tegenover zijn cliŽnten. Volgens de minister mag de provider de door hem opgeslagen emailberichten lezen, tenzij hij zich contractueel heeft verbonden zich van kennisname te onthouden. Zij trekt een vergelijking met ansichtkaarten, die ook door postbeambten gelezen mogen worden. Er geldt in die zin dus geen briefgeheim voor emailberichten.

Als het om nieuwe communicatiemedia gaat is het altijd goed uit te gaan van algemene rechtsbeginselen, zoals die met betrekking tot privacy en informatievrijheid, maar men zou moeten oppassen met analogieŽn met oude media. Hoewel het voor de internetprovider inderdaad betrekkelijk eenvoudig is, kennis te nemen van de inhoud van door hem opgeslagen emailberichten, gaat de vergelijking met ansichtkaarten niet op. Ook bij telefoonverkeer kan de service-provider gemakkelijk kennis nemen van de aan hem toevertrouwde informatie. Bij de grondwettelijke invoering van het telefoongeheim is dan ook als voorwaarde voor bescherming gesteld dat de burger zelf de nodige voorzorgsmaatregelen neemt om te zorgen dat zijn berichten niet voor een ieder toegankelijk zijn.[4]  Om die reden werd bijvoorbeeld het draadloos telefoneren van bescherming uitgesloten. Met het dichtplakken van een enveloppe geeft de burger aan PTT-Post de intentie van privť-communicatie te kennen. Bij e-mail is de voornaamste mogelijkheid om die intentie weer te geven het gebruik maken van een wachtwoord of PIN-code, gecombineerd met een persoonlijke adressering. Het zonder toestemming bekijken van opgeslagen emailberichtjes indien dat niet noodzakelijk is voor het controleren van de kwaliteit van het transport lijkt mij wel degelijk onrechtmatig. Daar hoeft de gebruiker geen overeenkomst met de provider voor te sluiten.

De impliciete suggestie van de minister, dat de privacy van het emailverkeer maar contractueel geregeld moet worden, gaat voorbij aan het in de grondwet en de internationale mensenrechtenverdragen (art. 8, maar ook art. 10 EVRM) gewaarborgde grondrecht op privacy en privť-communicatie, dat in beginsel ook tussen burgers, dus tussen gebruiker en provider, werking heeft.[5]  Grondrechten bieden een onaantastbaar minimum aan bescherming, niet een richtsnoer voor onderhandelingen. De minister lijkt ons eigenlijk te zeggen: 'Het zijn ansichtkaarten, maar als je de postbode betaalt zal hij ze niet bekijken!'.

 


[1]  Volkskrant 14 april 1997: 'Justitie in actie tegen e-mail van hooligans'. [Terug naar tekst]

[2]  Kamerstukken II 1995/96, 24 679, nr. 1. [Terug naar tekst]

[3]  Aanhangsel Handelingen II 1995/96, nr. 1370. [Terug naar tekst]

[4]  Kamerstukken II 1975/76, 13 872, nr. 3, p. 44-45. [Terug naar tekst]

[5]  HR 9 januari 1987, NJ 1987, 982 (met een op dit punt kritische noot van E.A. Alkema); in Duitsland is e-mail, inclusief de inhoud van mailboxen, onder het Fernmeldegeheimnis van art. 10 GG gebracht, voorzover het gaat om 'Individualverkehr', zie F.W. HŁlsman, 'Datenschutzrechtliche Einordnung des Betriebs von Mailboxen', Datenschutz und Datensicherung 1994-11, p. 621-628. ?? [Terug naar tekst]


Geplaatst 24.06.2003