|
Odysseus beweerde tegen
de cycloop dat hij Niemand heette, en stak hem
vervolgens in zijn oog. Was hij nu het schoolvoorbeeld
van de onschuldige burger die zich alleen kon redden
door anoniem te blijven of was zijn laffe daad de
voorloper van de cyberattack? De consument heet
allang niet meer alleen voor wie hij liefheeft.[1]
Anno 2000 ziet hij zijn naam veranderen in een keten:
zodra hij van een van de nieuwe ICT toepassingen gebruik
maakt, ontstaat een spoor van gegevens, van informatie
die van hem een exact profiel achterlaat, overal waar
hij gaat.
1. Inleiding
Een van de cruciale
aspecten van de zich ontwikkelende elektronische
economie is het vertrouwen van de consument. Een
werkelijke toename van de elektronische handel zal pas
tot stand komen als de consument voldoende vertrouwen
heeft in de nieuwe media. Veiligheid en privacy zijn
sleutelbegrippen in de ontwikkeling van nieuwe diensten
en markten. Soms kan veiligheid het beste bereikt worden
door anonimiteit. Aan de andere kant wordt vaak het
bezwaar geopperd dat anonimiteit een vrijbrief is voor
cybermisdaad.[2]
In deze bijdrage geef ik een korte schets van de
grondrechten die de ICT consument beschermen bij het
deelnemen aan het elektronisch verkeer. De bijdrage zal
zich in het bijzonder richten op de vraag of de
consument recht heeft op anonimiteit dan wel
pseudonimiteit wanneer hij zich op de elektronische
snelweg begeeft. Onder anonimiteit versta ik hier dat in
het geheel geen naam bekend is. De consument hoeft zich
op geen enkele manier te identificeren en gaat naamloos
door cyberspace. Een eveneens voorkomend
verschijnsel is dat gebruik wordt gemaakt van
pseudonimiteit. Daarbij gebruikt de consument een
aangenomen naam waarvan niet valt vast te stellen of dat
zijn echte naam is. Net als in de Nota Wetgeving voor
de Elektronische Snelweg worden beide begrippen
naast elkaar gebruikt.[3]
Daarnaast wordt een onderscheid gemaakt tussen de
verschillende diensten die de consument afneemt, te
weten: downloaden, surfen, email, semi-openbare
informatiediensten als newsgroups en de overeenkomst op
afstand.
2.
Informatiegrondrechten
Wat zijn nu de
grondrechten die met anonimiteit te maken hebben? Ten
eerste is het recht op privacy een relevant grondrecht,
daar dat recht met name de integriteit en identiteit van
het individu beschermt. Ook moet worden gedacht aan
communicatievrijheid omdat voor vrije communicatie het
geheim blijven van de identiteit van de deelnemers soms
van belang kan zijn. Het gaat dan zowel om de vrijheid
tot openbare communicatie als die tot niet-openbare
communicatie. Het eerste wordt beschermd door de
vrijheid van meningsuiting, het tweede door het
communicatiegeheim.[4]
2.1 Openbare
communicatievrijheid
Het recht op openbare
communicatievrijheid omvat het recht op vrije
meningsuiting, op toegang tot communicatiemiddelen en
tot schaarse natuurlijke hulpbronnen en het recht
informatie te ontvangen, alsmede het recht meningen te
koesteren. Het recht op vrijheid van meningsuiting vindt
in Nederland onder meer bescherming in artikel 7 van de
Grondwet en in artikel 10 van het Europees Verdrag voor
de Rechten van de Mens. Dat laatste artikel beschermt
ook de andere fasen van het openbare communicatieproces.
Of uit dit grondrecht een recht op anonimiteit kan
worden afgeleid is niet zeker.
In de Verenigde Staten
is het recht om anoniem te spreken onder de bescherming
van het First Amendment gebracht. In de zaak McIntyre
v. Ohio bepaalde het Amerikaanse Supreme Court dat
een ieder het recht heeft anoniem te spreken.[5]
Het Hooggerechtshof noemt een aantal mogelijke redenen
die iemand kan hebben om te kiezen voor anonimiteit
zoals angst voor economische repressie, zorgen over
sociale gevolgen en de wens zoveel mogelijk privacy te
behouden. De reden maakt echter uiteindelijk niet uit: 'whatever
the motivation may be, at least in the field of literary
endeavor, the interest in having anonymous works enter
the marketplace of ideas unquestionably outweighs any
public interest in requiring disclosure as a condition
of entry'. De beslissing van een auteur om anoniem
te blijven vormt een aspect van de vrijheid van
meningsuiting, zoals alle andere beslissingen die raken
aan de inhoud van een publicatie. McIntyre v. Ohio
gaat echter over een politieke zaak, waar de bescherming
van de vrijheid van meningsuiting op zijn sterkst is.
Het Supreme Court trekt dan ook de vergelijking
met het recht op secret ballot, geheime
stemming. Het is dus niet helemaal zeker of deze
uitspraak voor alle vormen van anoniem communiceren zal
blijken te gelden. Toch noemt het Hooggerechtshof in
zijn conclusie het anoniem pamfletteren nog eventjes 'an
honorable tradition of advocacy and of dissent' want:'Anonymity
is a shield from the tyranny of the majority.'
Voor de kwestie van
anonimiteit en ICT is de tweede motivering van het
Hooggerechtshof interessant. Immers, het wezenlijke doel
van het First Amendment is: 'To protect
unpopular individuals from retaliation - and their ideas
from suppression at the hand of intolerant society.' Dat
belang bestaat ook in het ICT tijperk. Analoog
interpreterend kan gesteld worden dat juist ook de vrees
voor repercussie en het daaruit voortvloeiende chilling
effect een rol kunnen spelen op Internet. Ik denk
hier vooral aan de gedachtewisselingen die plaatsvinden
in de semi-openbare communicatievormen als newsgroups.
Nu deze voor een ieder toegankelijk zijn en zelfs,
dankzij nieuwe diensten, doorzoekbaar met zoekmachines,
kan het voor de deelnemer aan dergelijke communicatie
van groot belang zijn om zijn anonimiteit te bewaren. In
Nederland werd een anonimiteitverbod door de Hoge Raad
in het Muurkrantenarrest niet in strijd met
artikel 7 Grondwet geacht ondanks de nuttige functie van
anonieme uitingen in de rechtsstaat.[6]
2.2.
Communicatiegeheim
Het communicatiegeheim
heeft grondslagen zowel in het recht op privacy als in
het recht op communicatievrijheid. De privacygrondslag
komt voort uit het privé-karakter van de niet openbaar
gevoerde conversaties. De uitingsvrijheid is in het
geding omdat de vrije uitwisseling van gedachten gevaar
loopt als de communicatiekanalen gecorrumpeerd raken.
Het kritisch uitlaten over politieke tegenstanders komt
in het nauw als gesprekken worden afgeluisterd.
In Nederland wordt het
communicatiegeheim beschermd door onder andere artikel
13 Grondwet en artikel 8 EVRM. In geen van beide
artikelen is een directe bescherming van anonimiteit of
pseudonimiteit opgenomen.
Wel is inmiddels in de
jurisprudentie van het EHRM een lijn waarneembaar om ook
bescherming te verlenen aan de transactiegegevens die
ontstaan bij het transport van informatie. Deze
zogenaamde verkeersgegevens omvatten de duur van een
gesprek, maar ook de identiteit van de deelnemers. In
het arrest Malone kan als visie van het EHRM
worden gelezen dat een aanbieder van een
telecommunicatiedienst de identiteitsgegevens van zijn
klanten niet zonder meer aan derden of aan justitie mag
afstaan. Artikel 13 Grondwet besteedt geen aandacht aan
de bescherming van verkeersgegevens en is daarnaast wat
ICT betreft beperkt tot de telefoon en de telegraaf in
artikel 13 lid 2 Grondwet. De bescherming van correspondence
in artikel 8 EVRM is daarentegen uitgebreid tot
telefonie, en zal, naar valt te verwachten, ook tot
andere vormen van privé-communicatie worden uitgebreid.[7]
De opsomming van 13 Grondwet moet volgens sommige
schrijvers niet worden gezien als limitatief maar als
enumeratief zodat ook andere, moderner
communicatiemiddelen eronder kunnen worden gebracht.[8]
Door de meeste schrijvers wordt het huidige object van
artikel 13 Grondwet echter als te beperkt beschouwd.[9]
2.3. Privacy
Het recht op privacy
verzekert de bescherming van de persoonlijke
levenssfeer. De precieze betekenis van het begrip staat
echter niet vast. De inhoud van het algemene privacy
artikel, artikel 10 Grondwet is dan ook tamelijk
abstract.[10]
De vraag of er een recht op anonimiteit c.q.
pseudonimiteit onder kan worden begrepen valt niet met
zekerheid te beantwoorden. De belangrijkste
uitvoeringswet met betrekking tot de informationele
privacy, de Wet Persoonsregistraties (WPR), neemt als
uitgangspunt dat sprake moet zijn van een
persoonsgegeven, dat wil zeggen een gegeven dat
herleidbaar is tot een identificeerbare persoon of reeds
ge‹dentificeerde persoon. In de opvolger van deze wet,
de Wet Bescherming Persoonsgegevens (WBP), blijft dit
uitgangspunt gehandhaafd.[11]
Aangezien er in
hoofdstuk 8 van dit boek apart aandacht wordt besteed
aan de algemene privacybescherming van de consument bij
ICT zal ik in deze bijdrage niet ingaan op de exacte
bepalingen van WPR en WBP. Grondbeginsel is echter dat -
in welke situatie ook - de gegevensregistratie en het
gebruik daarvan beperkt moeten blijven tot wat
noodzakelijk en ter zake dienend is. De hoeveelheid
verzamelde gegevens moet tot een minimum worden beperkt
en het mag alleen gebeuren voor rechtmatige doeleinden.
Een kenmerk van de
nieuwe netwerken en diensten (en in het bijzonder van
Internet) is dat een enorme hoeveelheid (transactionele)
gegevens wordt gegenereerd, waarmee de juiste
verbindingen tot stand kunnen worden gebracht. Door de
toenemende interactiviteit neemt die hoeveelheid
verkeersgegevens alleen nog maar verder toe. Deze
klikstroom zorgt per definitie voor een grotere
hoeveelheid gegevens dan bij het passief consumeren van
traditionele (one way) informatiediensten. 'Via
deze technieken kunnen "clicktrails" worden
gecreëerd voor de Internetgebruikers. Clicktrails
bevatten informatie over het gedrag van de gebruiker,
zijn identiteit, de keuzes die hij heeft gemaakt en de
links die hij heeft aangeklikt tijdens zijn bezoek aan
een website. Ze worden opgeslagen op de webserver.',
aldus Aanbeveling 1/99.[12]
Hoewel deze
verkeersgegevens in sommige landen en ook in de
jurisprudentie van het EHRM[13]
een zekere bescherming genieten in verband met de
bescherming van het communicatiegeheim, blijft de enorme
toename en de relatief grote toegankelijkheid van deze
gegevens een probleem. Het spoor dat achterblijft neemt
nog verder toe in omvang door het gebruik van cookies
en intelligent agents. In dat verband is de
recente klacht in de Verenigde Staten tegen
reclamebedrijf Doubleclick bij de FTC van belang. Deze
klacht, ingesteld door het EPIC (electronic privacy
information centre) gaat met name over de
beweerdelijke anonimiteit waar doubleclick voor zegt te
zorgen terwijl ondertussen individuele profielen worden
verkocht aan adverteerders.[14]
Door ontwikkelingen op het gebied van datamining
zijn steeds meer mogelijkheden ontstaan om de
verschillende gegevens met elkaar in verband te brengen
zodat ook hele nieuwe gebruikersprofielen kunnen worden
vastgesteld over iemands persoonlijke voorkeuren.
De belangrijkste
beginselen die gelden voor het gebruik en vervoer van
informatie op het Internet of bij ICT in het algemeen
vinden we in de artikelen 7, 10 en 13 Grondwet en 8 en
10 EVRM. Deze laatste artikelen maken op grond van
artikel 6 van het EU-Verdrag ook min of meer deel uit
van het gemeenschapsrecht. In dit verband is het
belangwekkend dat de EU nu besloten heeft tot een
Handvest voor de fundamentele rechten in de Europese
Unie. Op dit moment is nog niet duidelijk welke status
dat Handvest zal krijgen en of het Handvest nieuwe
bepalingen zal bevatten die voor dit onderwerp relevant
zijn.[15]
3. Grondrechten in
de Informatiemaatschappij
Hierboven gaf ik reeds
aan dat er kritiek bestaat op de huidige formulering van
artikel 13 Grondwet. In Nederland woedt sinds 1997 een
discussie over 'Grondrechten in het digitale tijdperk'.
In dat jaar werd een wijzigingsvoorstel inzake artikel
13 van de Grondwet voorgesteld waarover uitgebreid is
gediscussieerd.[16]
Kernpunten binnen die discussie waren de status en
bescherming van verkeersgegevens, van onversleutelde
email, en de vraag of er een notificatieplicht zou
bestaan. Uiteindelijk trok de regering het voorstel in
en benoemde een commissie Grondrechten in het digitale
tijdperk.[17]
Deze Commissie Franken
presenteerde haar eindrapport in mei 2000. Het rapport
bevat voorstellen tot aanpassing van onder meer de
artikelen 7, 10 en 13 van de Grondwet.[18]
De regering hoopt nog tijdens Kok II een eerste lezing
af te ronden van een wijzigingsvoorstel van de Grondwet.
Het gaat om de grondrechten op vrijheid van
meningsuiting, op privacy en op het respecteren van het
communicatiegeheim. Wat adviseert de commissie over het
eventueel opnemen van een grondrecht op anonimiteit? En
wat denkt de commissie van grondwettelijke bescherming
van het recht om anonimiteit en privacy te waarborgen
met behulp van bijvoorbeeld cryptografie?
Het recht om gebruik te
maken van versleutelingsmethoden zoals cryptografie
wordt door de commissie buiten artikel 13 Grondwet
gehouden. Bewust hanteert de commissie Franken een
sobere benadering van de Grondwet, hetgeen betekent dat
alleen zogenaamde 'essentiële grondrechten worden
opgenomen. De commissie geeft aan dat dit geen
essentieel grondrecht betreft en daarom kiest zij ervoor
het niet op te nemen.[19]
Daarvoor voert zij twee redenen aan: 'De commissie is
concluderend van mening dat artikel 10 van de Grondwet
in een adequaat beschermingsniveau voorziet en bovendien
beter aansluit bij de aard van het te beschermen
belang.' De aard van het te beschermen belang is volgens
de commissie niet in de eerste plaats de
vertrouwelijkheid van de inhoud van communicatie, doch
heeft in brede zin betrekking op de vrijheid van een
ieder de persoonlijke levenssfeer af te schermen door de
toepassing van encryptie e.d.'.[20]
Daar is op zich wat voor te zeggen, en ook door andere
schrijvers wordt aangegeven dat de encryptievrijheid
niet de hardste kern van het grondrecht vormt.[21]
Toch pleit ik voor opname van dit - weliswaar accessoire
- grondrecht.[22]
Met name met het oog op de bestaande bedreigingen van de
communicatievrijheid en het communicatiegeheim, is de
vrijheid zelf maatregelen te nemen ter bescherming van
communicatie een groot goed.[23]
Om vergelijkbare
redenen wordt door de commissie afgezien van een recht
op anonimiteit. De commissie heeft zich afgevraagd of
een recht op anonimiteit een alternatief zou kunnen zijn
voor het recht op persoonlijke levenssfeer. Vervolgens
spreekt zij zich uit tegen een recht op absolute
anonimiteit ('meent de commissie dat een dergelijk recht
onhaalbaar is'). Bovendien is de commissie bang dat met
een vastlegging van een recht op anonimiteit de
reikwijdte van artikel 10 Grondwet te ver zou worden
opgerekt. Dat zou onherroepelijk leiden tot verregaande
beperkingen, hetgeen de commissie onwenselijk acht.
Hier valt op dat de
commissie het recht op anonimiteit louter vanuit de hoek
van artikel 10 Grondwet, de algemene privacybepaling,
bespreekt, terwijl anonimiteit in de Verenigde Staten
(zie boven) door het first Amendment wordt beschermd als
onderdeel van de communicatievrijheid. Cryptografie
wordt daarentegen behandeld bij artikel 13 Grondwet,
maar niet opgenomen omdat het eerder bij 10 Grondwet zou
horen. Anonimiteit heeft een zelfstandige functie naast
andere (privacy) rechten en zou heel wel als onderdeel
van de Grondwet kunnen worden opgenomen. Als een
basisrecht op anonieme communicatie kan worden
vastgelegd, vergezeld van noodzakelijke beperkingen, is
dat een belangrijke winst voor de ICT-consument.
Heeft de commissie
Franken zich in haar rapport niet te voorzichtig
opgesteld om de Grondwet werkelijk aan te passen aan het
' digitale tijdperk' ? Er is wel kritiek geuit op de
opdracht aan de commissie, aangezien daarin werd
opgeroepen tot aanpassing van de Grondwet aan de
bestaande wetsvoorstellen en beleidsnotities.[24]
Daartoe behoort onder andere de reeds eerder aangehaalde
Nota Wetgeving voor de Elektronische Snelweg met het
beroemde adagium over offline en online.
3.1. Offline ¹
Online
De regering heeft als
uitgangspunt genomen dat wat offline geldt, ook online
moet gelden.[25]
Als beginsel kan dan gelden dat waar de gebruiker offline
recht heeft op anonimiteit, hij dat ook online
moet hebben. Dit blijkt uit de verklaring van Bonn, maar
ook uit de Nota Wetgeving voor de Elektronische
Snelweg.[26] Daarbij
werd nadrukkelijk ook gedoeld op de grondrechten of
fundamentele rechten. In de Nota geeft de regering ook
aan dat juist waar het gaat om het garanderen van de
fundamentele rechten een extra inspanning van de
overheid verwacht mag worden. Hoewel de regering voor
zich zelf vooral een ordenende rol ziet weggelegd in het
informatietijdperk, moet zij sturend optreden om actief
de bescherming van fundamentele rechten te waarborgen.[27]
Op dit offline/online
dogma is wel het een en ander af te dingen. Zo zijn er
in de online wereld per definitie meer
monitormogelijkheden als gevolg van de bovenbeschreven
elektronische sporen die men achterlaat. Zowel het
voortdurend aftappen als het onderzoeken welke krant
iemand leest, is veel eenvoudiger in de online
wereld dan in de offline wereld. De huidige
wetgeving is nadrukkelijk afgestemd op de offline
wereld en daarom niet automatisch geschikt voor online
gebruik.[28]
3.2. Het
democratisch evenwicht
Grondrechten zijn van
oudsher een poging het machtsverschil tussen het
individu en de staat te compenseren. Aangezien de staat
het machtsmonopolie bezit moet de burger beschermd
worden tegen willekeurige machtsuitoefening door de
staat. In de informatiemaatschappij draait alles om
kennis en moet de burger beschermd worden tegen verkeerd
gebruik van die kennis. Bij de jurisprudentie met
betrekking tot artikel 8 EVRM is reeds aan de orde
gekomen dat pas effectieve bescherming mogelijk is als
de burger op de hoogte is van de beperkingen op zijn
grondrecht. Notificatie of kennisgeving van de over
iemand verzamelde informatie is dan ook onontbeerlijk om
de burger in staat te stellen de rechtmatigheid van de
schendingen van zijn privacy aan de rechter voor te
leggen. Het dogma van wat offline geldt moet ook online
gelden kan hier te kort schieten. Immers, waar de
consument offline vaak zelf maatregelen kan
treffen om zijn anonimiteit en daarmee zijn privacy te
waarborgen kan hij dat online niet zelf overzien.
Natuurlijk staat hem een aantal technische hulpmiddelen
ter beschikking maar de gedachtegang dat de
verantwoordelijkheid geheel bij de consument moet liggen
is niet juist. Daarom is de vaak gesuggereerde
zelfregulering als oplossing van ieder probleem op het
Internet ook onvoldoende. 'Uiteindelijk wordt het
gebruik van persoonsgegevens op het web best geregeld
door een combinatie van technologie,
overheidsregulering, standaarden en andere vormen van
zelfregulering'.[29]
Bij zelfregulering is de kans groot dat de consument aan
het kortste eind trekt. Hier ligt een belangrijke taak
voor de overheid om actief de bescherming van de
fundamentele rechten van haar onderdanen ter hand te
nemen. Dommering wijst op de controleaspecten van nieuwe
media: 'de bijzondere economische aspecten van netwerken
en elektronische informatieverspreiding ... verschaften
de Staat een uitstekende gelegenheid een vinger in de
pan met pap te houden, die bij de drukpers zo bruut van
het staatsfornuis was gehaald.' Inmiddels zitten de
staat en zijn commerciële neefjes tot aan de ellebogen
in de pap, en dreigt een doemscenario: het democratisch
evenwicht is verstoord en de consument is het
slachtoffer.[30]
4. Anonimiteit als
oplossing
Een van de oplossingen
voor dit probleem is om de herleidbaarheid tot het
individu weg te nemen. Immers, door de zuivere toename
van de hoeveelheid gegevens verschuift het evenwicht in
de ICT naar meer controle en meer toezicht of dit nou
door overheden of grote marktpartijen plaatsvindt. Dit
vormt een verschuiving in het evenwicht die de vrijheid
beknot. Anonimiteit zou dit evenwicht gedeeltelijk
kunnen herstellen. Zodra anonimiteit wordt gegarandeerd
kan een ieder deelnemen aan de Internetrevolutie zonder
vrees voor registratie van elke beweging en zonder bang
te zijn dat informatie wordt verzameld die later voor
onaangename doeleinden kan worden gebruikt. Ook in de
traditionele ICT diensten werd altijd al de noodzaak van
anonimiteit onder bepaalde omstandigheden erkend. De
zogenaamde zelfhulp lijnen (kindertelefoon e.d.) vormen
hiervan een sprekend voorbeeld.
Hoe zou meer
anonimiteit er in de praktijk uitzien? Volgens de
werkgroep persoonsgegevens moet worden gezocht naar
aanknopingspunten met oudere diensten via oudere media.
Dit houdt echter wel een gevaar in van simplificatie.[31]
Hieronder volgt kort een bespreking van anonimiteit bij
de diverse ICT diensten.
4.1. Toegang tot
(tele)communicatiediensten
Traditioneel is de
anonieme toegang tot telecommunicatiediensten altijd al
gegarandeerd geweest. Immers, de wet schreef voor dat
telefooncellen aanwezig moesten zijn, en dat daarbij
betaald kon worden met muntgeld of met (anonieme)
telefoonkaarten. De anonimiteit van een afnemer van een
openbare telecommunicatiedienst vormt tevens het
onderwerp van een aantal bijzondere regels in de
Telecommunicatiewet. Zo zijn in hoofdstuk 11 regels
opgenomen omtrent niet-gespecificeerde telefoonnota's en
anonimiteit van abonnee tot dienstaanbieder door de
plicht verkeersgegevens zo snel mogelijk te vernietigen
of te anonimiseren. Daarnaast gelden bijzondere
bepalingen met betrekking tot nummeridentificatie, CLI.[32]
Bij de nieuwe mobiele diensten wordt een nieuw probleem
gevormd door de onduidelijke status van locatie- of
celidentiteitsgegevens. Ook hier kunnen echter
telefoonkaarten soelaas bieden.[33]
Het ligt in de rede om
ook op Internet de mogelijkheid van anonieme toegang uit
te breiden.
4.2. Surfen en
bladeren op het Internet
Waar in de wereld
buiten de ICT het rondneuzen of browsen meestal
anoniem kan en zal plaatsvinden[34] ,
is bij toepassing van ICT, en met name op het Internet,
het surfen en bladeren een activiteit die sporen
achterlaat die identificeerbaar zijn tot de consument.
Dergelijke sporen bevatten voor commerciële sites een
schat aan informatie die kan worden gebruikt voor direct
marketing en voor verbetering van de
reclamecampagnes in het algemeen. Er is echter geen
zwaarwegend belang dat zich verzet tegen het anoniem
surfen. Het verzamelen van persoonsgegevens bij het
surfen moet dan ook volledig transparant gebeuren en
behoeft de informed consent van de surfer. Zolang
dat niet gebeurt, is de surfer geschaad in zijn recht op
anonimiteit dat hier wordt beschermd door het recht op
privacy en vrije meningsuiting. Dit houdt ook in dat van
een reële opt-out clausule sprake moet zijn. Dat
wil zeggen dat de consument de registratie van zijn
surfgegevens moet kunnen uitschakelen.
De werkgroep
persoonsgegevens neemt een scherp standpunt in over het
automatisch vergaren van persoonsgegevens: Immers, 'een
voorwaarde voor de rechtmatige verwerking van
persoonsgegevens is dat de betrokkene hiervan op de
hoogte wordt gesteld en er zich dus van bewust is dat
deze verwerking plaatsvindt'. Volgens de werkgroep
moeten de verzamelaars van persoonsgegevens betrokkenen
ook de mogelijkheid bieden eenvoudig inzage te
verkrijgen in de gegevens die over hem of haar zijn
verzameld. Dit heeft aanmerkelijke gevolgen voor het
gebruik van cookies en het automatisch meesturen van
informatie bij het totstandkomen van verbinding.
Belangrijkste aanbeveling is echter om providers de
plicht op te leggen dat software zodanig geconfigureerd
moet zijn dat slechts het strikt noodzakelijke minimum
aantal persoonsgegevens wordt opgeslagen. Vervolgens
moet er sprake zijn van een gebruiksvriendelijke optie
waarbij de gebruiker kan aangeven of informatie mag
worden doorgestuurd.[35]
Tijdens de
parlementaire behandeling van voorstel 25 443 inzake de
wijziging van artikel 13 Grondwet werd de vraag gesteld
of surf- en zoekgedrag door de minister onder het begrip
verkeersgegevens werd gerekend. De commissie Franken
heeft zich uitgesproken tegen een bescherming van
verkeersgegevens in artikel 13 Grondwet omdat naar haar
mening artikel 10 Grondwet voldoende bescherming biedt.[36]
De minister werd
gevraagd of dit reeds in de Telecommunicatiewet was
geregeld en of dat dan niet alsnog zou moeten gebeuren.[37]
De reactie van de minister was veelzeggend: ' ...dat
zoekgedrag niet specifiek in de Telecommunicatiewet
wordt geregeld. Verkeersgegevens betreffen slechts data,
tijdstippen waarop de telecommunicatie plaatsvindt en de
telefoonnummers waartussen die plaatsvindt en de
verzonden hoeveelheid gegevens. Welke Internetsites zijn
bezocht en welke pagina's zijn bezocht valt er niet
onder. Dat onderscheid wordt hier gemaakt.'[38]
Sommigen leiden hieruit af dat alleen gegevens die iets
zeggen over beide deelnemers aan een communicatie de
verzwaarde bescherming van verkeersgegegevens zou
toekomen. Immers, voor de 'gewone transactiegegevens'
van het Internetgebruik geldt altijd nog de gewone
privacybescherming. Surfgegevens zijn dan niet a priori
gevoeliger dan gegevens die bij een bank over ons zijn
opgeslagen.[39]
Toch meen ik dat juist de hierboven beschreven
verstoring van het evenwicht tussen privacy en
openbaarheid op het Internet er toe moet leiden dat
juist ook surfgegevens moeten genieten van de zware
bescherming die ook ten deel valt aan verkeersgegevens
in de zin van de Telecommunicatiewet. Dat zou betekenen
dat ook artikel 11.5 Telecommunicatiewet onverkort van
toepassing is op surfgegevens.[40]
Dat artikel bepaalt dat verkeersgegevens na beëindiging
van een oproep moeten worden verwijderd of
geanonimiseerd. Hoewel er gerechtvaardigde
uitzonderingen bestaan, bijvoorbeeld in geval dat nodig
is om een rekening op te maken, mag er toch verlangd
worden dat op Internet in ieder geval wordt overgegaan
tot anonimisering van de betreffende gegevens conform
artikel 11.5 Tw. Onder anonimisering moeten we volgens
de Memorie van Toelichting verstaan dat de gegevens
zodanig worden bewerkt dat deze redelijkerwijs niet meer
herleidbaar zijn tot individuele personen. Dit kan
betekenen dat de verplichting verder strekt dan slechts
het verwijderen van de naamgegevens maar dat ook een
inspanning verplicht is om te voorkomen dat gegevens tot
een persoon herleidbaar blijven.[41]
4.3. Email
De consument die
gebruik maakt van een emaildienst is meestal
identificeerbaar op grond van zijn email of IP-adres.
Deze informatie is doorgaans beschikbaar voor zowel
ontvanger als access provider alsmede dienstaanbieders
die zich met het transport belasten.
Een emailbericht bevat
de volgende onderdelen,
a. de adresgegevens van
geadresseerde, afzender of beiden, de zogenaamde header.
b. het onderwerp,
subject, een korte aanduiding van datgene waar het
bericht over gaat en de berichttekst zelf. De header
bevat ook informatie als tijdstip en datum van
verzending en routeringsinformatie over de door het
bericht afgelegde route.[42]
De voornaamste
anonimiteitconstructies waarvan de consument gebruik zou
kunnen maken zijn:
a. de anonieme
remailer. Dat wil zeggen dat de afzender zijn mail
stuurt via een remailer die het anonimiseren als
dienst aanbiedt.[43]
b. anonieme toegang tot
het Internet. De gebruiker begeeft zich anoniem op het
Internet doordat hij tevoren prepaid Internettijd heeft
ingekocht of doordat hij vanuit een openbaar
Internetpunt belt (de zogenaamde openbare Internetkiosk,
zie ook 4.1).
Bij mogelijkheid a
is er onder omstandigheden de mogelijkheid de
anonimiteit op te heffen bijvoorbeeld ten behoeve van
een strafrechtelijk onderzoek. Dat biedt de mogelijkheid
het recht op anonimiteit af te wegen tegen andere
zwaarwegende belangen. Voor de betrokkenen vervult de anonymous
remailer een vertrouwensfunctie, zijn systeem dient
daarom duidelijk tegen inbraken beveiligd te zijn.[44]
In vergelijking is de
klassieke post een veel beter geschikt middel om anoniem
aan deel te nemen. Er is sprake van een systeem waarbij
de afzender zich niet bekend hoeft te maken en waarbij
een volledig geanonimiseerd betaalmiddel - de postzegel
- wordt gehanteerd. Daarnaast kan de verzender van post
ook voor de ontvanger van de post anoniem blijven.
Mochten zwaarwegende belangen daartoe nopen, dan kan de
anonimiteit met een rechterlijke last worden weggenomen.
Hoewel de minister
volhield dat de inloggegevens uit de header van een
emailbericht niet onder het begrip verkeersgegevens en
daarmee niet onder het communicatiegeheim vielen, ben ik
met Dommering e.a. van mening dat bij toepassing van het
adrescriterium de header wel degelijk onder het
communicatiegeheim gebracht kan worden. Volgens die
redenering is de identiteit van de geadresseerde een
integraal onderdeel van het geheim en mag daarom niet
verder gebruikt worden dan voor het transport
noodzakelijk is. Iets anders ligt het bij de loggegevens
ter zake van openbare websites. Daar zou wellicht kunnen
worden volstaan met de bescherming van gewone
persoonsgegevens.[45]
Als meer algemene
conclusie kan worden gesteld dat de mogelijkheden van
anoniem emailgebruik thans nog tamelijk beperkt zijn.
4.4. Nieuwsgroepen,
chatboxen, bulletin boards
Op het Internet is ook
een aantal communicatievormen populair geworden die niet
eenvoudig zijn in te delen volgens het oude schema van
openbaar versus niet-openbaar. Het kan gaan om
nieuwsgroepen of chatboxen waar gemeenschappelijke
interesses op het programma staan . Het in zo'n groep
plaatsen van mededelingen gebeurt in de wetenschap dat
het ontvangend publiek onbepaald is en dat dus de
mededelingen bij iedereen kunnen terechtkomen. Er is wel
voorgesteld de deelname aan dergelijke groepen
afhankelijk te stellen van identificeerbaarheid zodat
onrechtmatige uitlatingen kunnen worden bestreden. De
werkgroep persoonsgegevens vindt dat in aanbeveling 3/97
echter te ver gaan en maakt de vergelijking met
prikborden in de offline wereld.[46]
Mogelijke tussenoplossingen zijn hier de aanwezigheid
van een moderator die bepaalde deelnemers de toegang tot
de groep kan ontzeggen of de gebruikmaking van
pseudonimiteit zodat de band met de echte identiteit kan
worden hersteld als dat noodzakelijk is. De fundamentele
rechten op privacy en vrije meningsuiting mogen dan ook
niet verder worden beperkt dan noodzakelijk is. Nu er
andere methoden voor handen zijn om het probleem van
onrechtmatige uitlatingen hier aan te pakken, mag
volledige identificeerbaarheid dus niet meer worden
gevraagd.
Mede met het oog op de
vrijheid van meningsuiting is het van groot belang dat
ook in de toekomst de mogelijkheid blijft bestaan
anoniem aan dergelijke communicatievormen deel te nemen.
4.5. Het kopen van
goederen en diensten over het Interne
Het kopen van goederen
of diensten met behulp van ICT is de laatste jaren enorm
in omvang toegenomen. Dit heeft mede geleid tot een
aantal specifieke regelingen op het gebied van consument
en ICT. Hier springen met name de Richtlijn
overeenkomsten op afstand en de Ontwerprichtlijn
e-commerce in het oog.[47]
De vraag is of de consument identificeerbaar zou moeten
zijn om deel te nemen aan handel met behulp van ICT.
Buiten de ICT is
anoniem betalen de norm, zeker waar het gaat om kleine
aankopen. Gaat het om koop op afbetaling, of grote
bedragen, dan bestaat vaak een plicht tot identificatie.
Het zou dan ook goed zijn als de consument ook op het
Internet de keuze heeft uit verschillend betaalwijzen.
De ontwikkeling van ecash is wat dat betreft
buitengewoon belangrijk. Fundamentele voorwaarde voor de
doorbraak van anoniem ecash is dat de echtheid
gegarandeerd kan worden. Dit vereist een aantal
authentificeringmaatregelen. De werkgroep
persoonsgegevens geeft wel aan dat bij anonieme ecommerce
in sommige gevallen strijd kan ontstaan met de regels
tegen het witwassen, in de meeste gevallen zal dit
echter geen problemen opleveren.
5. Conclusie
In de discussie over
anonimiteit en ICT bestaat de neiging tot zwart-wit
denken. Het is echter niet zinvol de problematiek
eendimensionaal - of digitaal - voor te stellen. Het
gaat niet om hetzij helemaal privacy hetzij helemaal
niet.[48]
Terecht merkt de Raad voor het Openbaar Bestuur op dat
wetsovertreders zich - ook zonder grondwetswijziging -
het recht op anonimiteit toeëigenen.[49]
Hierboven gaf ik aan dat er slechts een indirect
grondrecht op anonimiteit kan worden afgeleid uit de
bestaande grondrechten. Een recht dat bovendien sterk
afhankelijk is van de vraag welke dienst de consument
afneemt. Ook is duidelijk dat de huidige grondrechten
die stammen uit het 'offline-tijdperk' niet meer
helemaal voldoen in het Internet tijdperk. Wat dat
betreft is het hoopgevend dat de overheid duidelijk te
kennen geeft een aanzet te willen geven aan hernieuwde
formulering in het digitale tijdperk. Of het adagium 'wat
offline geldt, moet online gelden' daarbij de meest
geschikte leidraad is, valt te betwijfelen. Anonimiteit
biedt een fraai voorbeeld van een recht dat als
oplossing zou kunnen fungeren voor de problematiek van
de steeds afnemende privacy op Internet. In de Nota
Wetgeving voor de Elektronische Snelweg staat het als
volgt: 'De elektronische snelweg vergroot zowel de
behoefte aan een meer persoonsgebonden
identiteitsvaststelling, als een anoniem deelnemen aan
het elektronisch verkeer. Daarbij blijft het huidige
uitgangspunt...ongewijzigd...: voor zover de wet... niet
noodzaakt tot opheffing van de identiteit, moet
anonimiteit op de elektronische snelweg het uitgangspunt
zijn.'[50]
Het is van het grootste
belang voor de waarborging van de fundamentele rechten
van burgers in het algemeen en consumenten in het
bijzonder dat de consument van ICT de mogelijkheid heeft
voor anonimiteit te kiezen. Actie is denkbaar op drie
niveaus. Ten eerste moet in de regelgeving blijk worden
gegeven van het feit dat anonimiteit een recht is en dat
de verzameling van identificeerbare gegevens dus tot een
minimum moet worden beperkt. Ten tweede moet worden
nagedacht over technologische verbeteringen die
anonimiteit in de praktijk dichterbij moeten brengen.
Tenslotte moet gericht onderzoeksgeld worden ingezet om
de mogelijkheid van anonieme toegang tot het Internet te
bevorderen.[51]
Ook moet worden gewerkt aan bewustwording van publiek en
aanbieders van toegang, diensten en producten via ICT.
Voor de Nederlandse
consument is het te hopen dat in de komende jaren door
de diverse initiatieven rond grondrechtenbescherming
zijn positie enigszins wordt versterkt. De commissie
Grondrechten in het digitale tijdperk heeft geadviseerd
geen recht op anonimiteit of encryptie op te nemen.
Mijns inziens is dat een te voorzichtige benadering die
geen recht doet aan het verschuivende evenwicht in de
informatiesamenleving. Het is wel degelijk belangrijk
dat in een nieuwe communicatieparagraaf deze duidelijke
'Internetrechten' worden verankerd.[52]
Daarin kunnen dan met helder omschreven
beperkingclausules de grenzen van een recht op
anonimiteit worden aangegeven.
|