Search results

Query: faculty: "FMG" and publication year: "2007"

AuthorImogen Vermeulen
TitleGerommel in de marge
SupervisorLeon Deben
Year2007
Pages97
FacultyFaculty of Social and Behavioural Sciences
Institute/dept.FMG: Afdeling Sociologie en Antropologie
AbstractDe stad heeft altijd op een of andere manier een rafelrand als vergaarbak van ‘marginalen’: sjoemelaars, ‘losers’ en daklozen, ‘loners’, verslaafden, (kleine) criminelen, kunstenaars, knutselaars en rommelaars, uitgeprocedeerde illegalen, soms meer of minder geïntegreerde en al dan niet bewust alternatief levende mensen. Soms bewonen deze mensen ‘randgebieden’, die worden gekenmerkt door ongereguleerdheid en tijdelijkheid. Het gebruik van deze plekken wordt meestal in een of andere vorm gedoogd, maar is niet officieel, waardoor voorschriften en regels niet (streng) gehandhaafd worden. Toch is het karakter van deze randgebieden eerder ‘vrijbuiterig’ te noemen dan crimineel. Binnen de dynamische, stedelijke context kun je de verhouding tussen margebewoners en reguliere stad opvatten als een constellatie van marginale en dominante groepen, waarbij deze laatsten de eersten proberen te reguleren door hen op te nemen in een of andere vorm van beleid of door hen te weren. De noodzaak voor het bestaan van randgebieden hangt samen met de (fysieke) ruimte en tolerantie die de stad biedt aan (deviante) groepen die van deze gebieden gebruik maken. Hoe beperkter die ruimte in de reguliere stad, hoe groter de behoefte aan marges. Ondanks hun marginaliteit, en soms geïsoleerdheid, vormen de bewoners van deze plekken derhalve altijd een onlosmakelijk deel van de stedelijke samenleving. In Amsterdam was de hoeveelheid ongereguleerde ruimte als gevolg van deïndustrialisatie en suburbanisatie in de jaren ’70 en ’80 enorm gegroeid, maar deze nam vanaf 1990 juist weer sterk af. De stad raakte weer ‘in’ en werd meer en meer ingevuld met reguliere, helder gedefinieerde functies die vaak gekenmerkt werden door ‘esthetisering’ en ‘beheersbaarheid’. De afname van ongereguleerde ruimte vormde voor mij de aanleiding om door middel van een verkennend onderzoek te kijken wat dit voor de bewoners van ‘margegebieden’ betekende. Het verschijnsel ‘margegebieden’ bleek een complex thema. Het raakt aan 'tegencultuur', en kunst, maar ook aan onaangepastheid en (bijna) dakloosheid. Bovendien betreft het verschillende woon- (werk-)vormen met verschillende soorten beleid en diverse typen bewoners met eigen behoeften: stadsnomaden, woonboten en kraakpanden. Ik bezocht in 1999 vier van dergelijke locaties in Amsterdam, waar ik per plek ongeveer vijf bewoners interviewde die er ‘vrijwillig’ verbleven. Rond 2005 deed ik een update met een groot deel van hen. De meesten hadden de marge toen inmiddels (moeten) verlaten. Ook met mensen die vanuit de gemeente betrokken waren bij deze plekken deed ik interviews, zowel in 1999 als begin 2007 (met collega’s van hen ). Voor de bewoners, die je kunt onderscheiden in degenen die niet anders kunnen (‘noodzakelijken’) en de mensen die niet anders willen (‘vrijwilligen’), vervullen de marges in de eerste plaats dezelfde basisfuncties als een reguliere woning dat elders voor anderen doet: het biedt beschutting, mensen koken en slapen er en het is hun communicatiebasis. Maar daarnaast biedt het minder strenge toezicht in de randgebieden bewoners meer mogelijkheden om hun omgeving naar eigen inzicht te gebruiken en op een alternatieve manier te leven. De meeste margebewoners geven de voorkeur aan minder voorzieningen met meer vrijheid boven comfort en zekerheid en er is een sterke behoefte aan onafhankelijkheid. Sommige margebewoners vinden de aanwezigheid van ‘gelijkgestemden’ prettig, toch vormen ze doorgaans geen hechte of homogene gemeenschap. Door de relatieve vrijheid kunnen creatieve bewoners er betrekkelijk risicoloos experimenteren met kunstvormen of een bedrijfje opzetten en de meer alternatieven een 'bewustere' leefstijl met minder inkomen realiseren. Voor deze ‘vrijwilligen’ vervullen de marges een meer subjectievere behoefte die samenhangt met leefstijl, ambities en zelfverwezenlijking. Vaak is hun tijd in de marge te zien als onderdeel van een levensfase, het zijn vooral jongeren die de mogelijkheden van deze randgebieden onderzoeken. Ook ‘noodzakelijken’, de outcast, kunnen in de randgebieden met marginale bezigheden het hoofd boven water houden, bovendien wordt er sociaal gezien meer getolereerd aan overlast en afwijkendheid dan in de reguliere stad. Maar voor hen geldt de marge eerder als ‘permanente noodzaak’ of zelfs als eindstation, omdat ze deze moeilijk op eigen kracht kunnen verlaten. De ‘noodzaak’ van marges, zoals bewoners die ervaren, ligt vooral in de mogelijkheid zich sociaal te onttrekken aan de druk van geld en prestatie. Voor de een betekent dit een vangnet, voor de ander een vrijplaats.
Document type scriptie master
Download paper