Zoekopdracht:
faculteit: "FdR" en publicatiejaar: "2011"
| Auteur | A.M. Leeflang | | Titel | Plicht tot klagen, tevens de bewijslast dragen? De behandeling van de klachtplicht vanuit bewijsrechtelijk perspectief |
| Begeleider | S. Tamboer |
| Jaar | 2011 |
| Pagina's | 34 |
| Faculteit | Faculteit der Rechtsgeleerdheid | | Opleiding | FdR MA Privaatrecht: Privaatrechtelijke rechtspraktijk |
| Trefwoorden | Consumentenrecht; Civiel bewijsrecht; Klachtplicht; Bewijslastverdeling |
| Samenvatting | Het onderwerp dat in deze scriptie centraal staat, is de bewijslastverdeling bij de klachtplicht van art. 7:23 lid 1 BW. De klachtplicht houdt – kort gezegd – in dat de koper die zich erop wil beroepen dat de gekochte zaak niet aan de overeenkomst beantwoordt, de verkoper binnen bekwame tijd na ontdekking van het gebrek op de hoogte moet stellen. Indien er niet of niet tijdig wordt geklaagd, heeft dit tot gevolg dat de koper al zijn rechten verliest. In HR 23 november 2007, NJ 2008, 552 (Ploum/Smeets en Geelen Tankstations BV) heeft de Hoge Raad bepaald dat het aan de koper is om te stellen en bij gemotiveerde betwisting te bewijzen dat hij tijdig bij de verkoper over de tekortkoming heeft geklaagd. In de rechtsliteratuur zijn diverse schrijvers echter van mening dat de bewijslast niet op de koper maar op de verkoper dient te rusten. De bewijslastverdeling bij de klachtplicht heeft enerzijds een materieelrechtelijke component, namelijk binnen het kooprecht dat geregeld is in de eerste titel van Boek 7 van het BW. Anderzijds begeeft het onderwerp zich in de procesrechtelijke sfeer van het civiele bewijsrecht. Tussen het materiële recht en het bewijsrecht bestaat een wisselwerking. Zo bepaalt ons bewijsrecht dat de verdeling van de bewijslast uit het materiële recht valt af te leiden. Dit principe – vastgelegd in art. 150 Rv – wordt de gematigd-objectiefrechtelijke leer genoemd. In deze scriptie wordt onderzocht of de Hoge Raad terecht de stelplicht en de bewijslast op de koper heeft laten rusten of dat de argumenten van de schrijvers die menen dat de verkoper deze stelplicht en bewijslast draagt, steekhoudender zijn. De centrale onderzoeksvraag luidt als volgt: Heeft de Hoge Raad inzake de klachtplicht van art. 7:23 lid 1 BW een onjuiste invulling gegeven aan het leerstuk van de gematigd-objectiefrechtelijke leer – vastgelegd in art. 150 Rv – door de stelplicht en de bewijslast dat niet tijdig is geklaagd op de koper te laten rusten? |
| Soort document | scriptie master |
| Download bestand | |
Gebruik dit adres om naar deze pagina te linken: http://dare.uva.nl/scriptie/384673
Vraag/opmerking over dit recordMail aan een collega
Toevoegen aan bewaarset
|