Zoekresultaten

Zoekopdracht: faculteit: "FdR" en publicatiejaar: "2011"

AuteurT.M. Kleij
TitelOuderlijke tuchtiging: Gerechtvaardigd of strafbaar?
BegeleiderT. Blom
Jaar2011
Pagina's35
FaculteitFaculteit der Rechtsgeleerdheid
OpleidingFdR MA Publiekrecht: Staats- en bestuursrecht
TrefwoordenPubliekrecht; Strafrecht; ouderlijke tuchtiging; mishandeling; wederrechtelijkheid; rechtvaardigingsgrond
SamenvattingKindermishandeling is een ernstig maatschappelijk probleem. Volgens schattingen gaat het om vijftig- tot tachtigduizend kinderen per jaar. Enkele tientallen daarvan overlijden als gevolg van de mishandeling. Het fysiek straffen van kinderen in opvoedkundige zin –de zogenaamde castigatio paternalis-is door de wetgever van 1886 buiten het bereik van art 300 Sr gehouden. Om deze reden is iedere omschrijving weggelaten en heeft de wetgever volstaan met het eenvoudige woord mishandeling. In de delictsomschrijving inzake dierenmishandeling (254 Sr oud)is echter wel een definitie opgenomen, te weten ‘hij die zonder redelijk doel of met overschrijding van hetgeen ter bereiking van een zodanig doel toelaatbaar is, opzettelijk pijn of letsel veroorzaakt’. Langs deze maatstaf zou ook het optreden van ouders jegens kinderen kunnen worden gemeten. Het mishandelen van een volwassene door een volwassene (art 300 Sr) en het mishandelen van dieren (art 36 Gezondheids- en welzijnswet voor Dieren) is strafbaar en voor mishandeling in familierechtelijk verband geldt van meet af aan een strafverzwaring van één derde (art 304 sub 1 Sr). Een verbod op het toepassen van fysieke straffen in opvoedkundige zin van geestelijk en lichamelijk geweld jegens een kind is in het strafrecht niet expliciet aanwezig. Dergelijke gedragingen werden wel verdedigd als niet strafbaar wegens de aanwezigheid van een ongeschreven bijzondere rechtvaardigingsgrond. Door deze opening in de wet voldeed Nederland niet aan de internationale en Europese vereisten betreffende het verbod op geweld in de opvoeding en met name niet aan het in 1990 geratificeerde verdrag inzake de rechten van het kind. Nederland heeft uiteindelijk gehoor gegeven aan de internationale en Europese vereisten door de invoering van een bepaling betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid op dit punt in de verwachting dat deze norm bij zal dragen aan de preventie van kindermishandeling. De bepaling is opgenomen in boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, art. 1:247 lid 2. Deze geëxpliceerde norm zou ook een reflexwerking kunnen hebben op het ouderlijk tuchtigingsrecht als rechtvaardigingsgrond voor het strafrechtelijk verbod van kindermishandeling. In deze scriptie zal het ouderlijk tuchtigingsrecht als rechtvaardigingsgrond voor kindermishandeling centraal staan. Mijn probleemstelling luidt: Hoeveel ruimte is er nog voor ouders om een beroep te doen op het ouderlijk tuchtigingsrecht als rechtvaardigingsgrond voor kindermishandeling, na de invoering van 1:247 lid 2 BW? Om tot een beantwoording van deze probleemstelling te kunnen komen, zal in het eerste hoofdstuk de plaatsbepaling van het ouderlijk tuchtigingsrecht vroeger en nu, de strafbaarstelling van kindermishandeling en de kwalificatie van een beroep op het ouderlijk tuchtigingsrecht worden behandeld. Vanuit deze achtergrond zal in het tweede hoofdstuk gekeken worden naar de internationale en Europese bepalingen en regelgeving betreffende het verbod van geweld in de opvoeding en de Nederlandse wetgeving hieromtrent. Vervolgens zal in het laatste hoofdstuk de reflexwerking van art. 1:247 lid 2 BW en de politieke en literaire discussie over de wetswijziging worden behandeld.
Soort document scriptie master
Download bestand