Zoekresultaten

Zoekopdracht: faculteit: "FMG" en publicatiejaar: "2004"

AuteurC. H. Renckens
TitelEetprobleem of eetstoornis : wat onderscheidt eetproblemen van klinische eetstoornissen?
BegeleiderM.H. Taal
Jaar2004
FaculteitFaculteit der Maatschappij- en Gedragswetenschappen
Instituut/afd.FMG: Afdeling Psychologie
SamenvattingSamenvatting Verstoord eetgedrag (lijnen, eetbuien, compensatiegedrag als overgeven, laxeren of excessieve lichaamsbeweging) komt onder jongeren regelmatig voor (Brewerton, 2002; Littleton & Ollendick, 2003; Tyrka, Graber & Brooks- Gunn, 2000). De eetstoornissen Anorexia Nervosa (AN) en Boulimia Nervosa (BN) zijn veel zeldzamer. De vraagstelling van deze scriptie is: 'Hoe kunnen onschuldige eetproblemen worden onderscheiden van de klinische eetstoornissen? Het definiëren van de pathologische eetstoornis is een centraal thema in deze scriptie. Eetstoornissen komen al vanaf jonge leeftijd voor (Robb, 2001), waarbij voor de diagnostiek de GOS criteria (Nicholls, Chater & Lask, 2000) voor kinderen een beter classificatiesysteem lijkt dan de DSM-IV (APA, 1994). Het diagnosticeren van eetstoornissen bij adolescenten en volwassenen met de DSM-IV levert een hoog (30-67) percentage EDNOS (Eetstoornissen Not Otherwise Specified) op. Het AN criterium voor gewicht, voor amenorroe, en het BN voor frequentie en duur van de eetbuien en het compensatiegedrag zijn hier in grote mate voor verantwoordelijk. Deze DSM-IV criteria, die de ernst van de eetsymptomen beschrijven, maken geen goed onderscheid tussen de klinische en gezonde populatie (Andersen, Bowers & Watson, 2001; Crow, Agras, Halmi & Mitchell, 2002; Turner & Bryant- Waugh, 2004). Dit onderscheid lijkt echter wel gemaakt te kunnen worden op basis van de aanwezigheid van de cognitieve symptomen: de preoccupatie met gewicht en eten, de verstoorde perceptie van het eigen gewicht en figuur en de overmatige waarde die gehecht wordt aan het gewicht en figuur voor de zelfevaluatie (Crow et al., 2002; Turner & Bryant- Waugh, 2004). Een cultuur waarin een slank ideaalbeeld heerst vergroot de kans op lijnen. Verstoord eetgedrag lijkt een risicofactor te zijn voor het ontwikkelen van een eetstoornis, hoewel onderzoeken elkaar tegenspreken. Lijnen vergroot de kans op een eetstoornis met een factor 18 (Patton, Selzer, Coffey, Carlin & Wolfe, 1998). Omgevingsfactoren, binnen en buiten het gezin, spelen een rol in de etiologie. Depressie is een risicofactor, waarbij aanwezige pathologie de kans op eetstoornis zeven maal vergroot. De helft van het risico op het krijgen van eetstoornis lijkt geërfd (Hirst, 1998). De adolescentie, met de toegenomen identificatie met leeftijdsgenoten, de nadruk op het uiterlijk en populariteit en de ontwikkeling van de eigen identiteit, is bij uitstek een kwetsbare periode voor het ontstaan van eetstoornissen (Robb, 2001). Het ontwikkelen van zelfvertrouwen en een positieve, niet alleen op het uiterlijk gebaseerde, identiteit, lijken bescherming te bieden tegen het ontstaan van eetstoornissen (French et al., 2001; Littleton & Ollendick, 2003).
Soort document scriptie
Download bestand