The UvA-LINKER will give you a range of other options to find the full text of a publication (including a direct link to the full-text if it is located on another database on the internet).
De UvA-LINKER biedt mogelijkheden om een publicatie elders te vinden (inclusief een directe link naar de publicatie online als deze beschikbaar is in een database op het internet).

Zoekresultaten

Zoekopdracht: faculteit: "FdR" en publicatiejaar: "2010"

AuteurR. van Alebeek
TitelEHRC 2010, 62, (15869/02: Cudak / Litouwen)
TijdschriftEHRC : European Human Rights Cases
Jaargang6
Boek/bron titel15869/02: Cudak / Litouwen
Jaar2010
Pagina's751-763
ISSN13896652
RechtscollegeEHRM
FaculteitFaculteit der Rechtsgeleerdheid
Instituut/afd.FdR: Amsterdam Center for International Law (ACIL)
SamenvattingMw. Cudak, een Litouws onderdaan, is sinds 1997 als secretaresse en telefoniste in dienst van de Poolse ambassade in Vilnius, Litouwen. In 1999 komt de Litouwse Ombudsman na een klacht van mw. Cudak tot de conclusie dat zij het slachtoffer is van seksuele intimidatie door één van de Poolse diplomaten. Na een afwezigheid van twee maanden door ziekte, wordt mw. Cudak een aantal malen de toegang tot de ambassade geweigerd. Nadat zij hierdoor enkele dagen werk heeft gemist, wordt haar ontslag aangezegd wegens herhaalde afwezigheid. Mw. Cudak vraagt in een civiele procedure voor de Litouwse rechter schadevergoeding voor onrechtmatig ontslag. De rechtbank, het hof en het hooggerechtshof verklaren zich onbevoegd van de zaak kennis te nemen op grond van de internationaalrechtelijke regel van staatsimmuniteit. Het hooggerechtshof past de restrictieve interpretatie van de regel toe. Het onderstreept het feit dat mw. Cudak in publieke dienst was en dat de arbeidsrelatie tussen haar en de Poolse ambassade beheerst werd door publiekrecht, dat de ambassade direct betrokken is bij het uitoefenen van soevereiniteit, en dat de taken van mw. Cudak tot op zekere hoogte de uitoefening van soevereiniteit faciliteerden. Op basis hiervan komt het tot de conclusie dat het geschil overheidshandelen betreft en Polen recht heeft op staatsimmuniteit. Mw. Cudak klaagt vervolgens in Straatsburg dat haar recht op toegang tot de rechter onder art. 6 EVRM is geschonden door Litouwen.

Het Hof stelt eerst vast dat art. 6 van toepassing is op mw. Cudak. Het beroep van de staat op een uitsluiting van de toepasselijkheid van art. 6 op basis van de twee voorwaarden geformuleerd in Vilho Eskelinen e.a. t. Finland (EHRM 19 april 2007, nr. 63235/00, «EHRC» 2007/82, m.nt. Geurink) faalt. Het Hof laat in het midden of de twee voorwaarden analoge toepassing vinden in geval van ambtenaren van een andere staat, maar stelt dat in ieder geval aan de voorwaarde van een objectieve grond voor de uitsluiting in het belang van de Staat niet is voldaan gezien de aard van de taken die door mw. Cudak verricht werden.

Het Hof herhaalt de gebruikelijke overwegingen met betrekking tot beperkingen van het recht op toegang tot de rechter. Het recht is niet absoluut en vraagt om regulering, maar mag niet zodanig beperkt worden dat de essentie wordt geschaad. Bovendien moet elke beperking een legitiem doel nastreven en geldt er een proportionaliteitsvereiste voor de verhouding tussen de gebruikte middelen en het beoogde doel. Het Hof benadrukt dat bij de interpretatie van het EVRM rekening moet worden gehouden met relevante regels van internationaal recht en bevestigt het in de zaken Al-Adsani t. Verenigd Koninkrijk (EHRM 21 november 2001, nr. 35763/97, «EHRC» 2002/3), McElhinney t. Ierland (EHRM 21 november 2001, nr. 31253/96, «EHRC» 2002/2), en Fogarty t. Verenigd Koninkrijk (EHRM 21 november 2001, nr. 37112/97, «EHRC» 2002/4 m.nt. Heringa & Gerards) geformuleerde standpunt dat de internationale regel van staatsimmuniteit in beginsel een geoorloofde beperking van het recht op toegang van de rechter is. Staatsimmuniteit, aldus het Hof, moet gezien worden als een inherente beperking op het recht op toegang tot de rechter. Anders dan in genoemde zaken komt het Hof echter in deze zaak tot de conclusie dat de beperking van het recht op toegang tot de rechter niet aan het proportionaliteitsvereiste voldoet nu de Litouwse rechter Polen méér immuniteit heeft toegekend dan onder internationaal recht vereist wordt. Onder verwijzing naar art. 11 van de – nog niet in werking getreden – Convention on Jurisdictional Immunities of States and their Property stelt het Hof vast dat een geschil over het ontslag van een lid van de lokale staf van een ambassade dat op generlei wijze betrokken was bij de uitvoering van taken in het kader van de uitoefening van soevereiniteit en waarbij geen staatsveiligheidsbelangen in het geding zijn, niet onder de immuniteit van een vreemde staat valt.
Soort documentAnnotatie
Document finderUvA-Linker