The UvA-LINKER will give you a range of other options to find the full text of a publication (including a direct link to the full-text if it is located on another database on the internet).
De UvA-LINKER biedt mogelijkheden om een publicatie elders te vinden (inclusief een directe link naar de publicatie online als deze beschikbaar is in een database op het internet).

Zoekresultaten

Zoekopdracht: faculteit: "FdR" en publicatiejaar: "2011"

AuteurM. den Heijer
TitelEHRC 2011, 125, (8319/07, 11449/07: Sufi en Elmi / Verenigd Koninkrijk)
TijdschriftEHRC : European Human Rights Cases
Jaargang9
Boek/bron titel8319/07, 11449/07: Sufi en Elmi / Verenigd Koninkrijk
Jaar2011
Pagina's1488-1510
ISSN13896652
RechtscollegeEHRM
FaculteitFaculteit der Rechtsgeleerdheid
Instituut/afd.FdR: Amsterdam Center for International Law (ACIL)
SamenvattingAbdiaziz Ibrahim Elmi en Abdisamad Adow Sufi, van Somalische nationaliteit, arriveren in 1988 resp. 2003 in het Verenigd Koninkrijk. Elmi wordt erkend als vluchteling en verkrijgt in 1994 een verblijfstitel voor onbepaalde tijd. De asielaanvraag van Sufi wordt afgewezen vanwege een ongeloofwaardig asielrelaas.

In 2007 wordt tegen Sufi een uitzettingsbevel uitgevaardigd omdat hij een bedreiging vormt voor de openbare orde. Tussen 1992 en 2004 is hij herhaaldelijk veroordeeld voor onder meer diefstal, heling, inbraak en handel in heroïne. In 2006 wordt de uitzetting van Elmi bevolen. Aan dat bevel ligt mede ten grondslag dat hij is veroordeeld voor verschillende strafbare feiten, waaronder poging tot inbraak en bedreiging met de dood. Het Asiel- en Immigratietribunaal oordeelt in beide zaken dat art. 3 en 8 EVRM zich niet tegen uitzetting naar Somalië verzetten.

Op verzoek van klagers vaardigt het EHRM voorlopige maatregelen uit tegen het Verenigd Koninkrijk, strekkende tot opschorting van de uitzetting. Sufi en Elmi klagen dat hun uitzetting naar Mogadishu een schending oplevert van art. 2, 3 en 8 EVRM. Het EHRM voegt de zaken en besluit de klachten in de context van art. 3 EVRM te onderzoeken.

Het Hof brengt in herinnering dat in uitzettingszaken het risico op een behandeling in strijd met art. 3 EVRM in het ontvangende land zowel voort kan komen uit een algemene situatie van geweld als de persoonlijke kernmerken van betrokkene, of een combinatie van beide elementen (par. 218). Het Hof merkt op dat de bescherming die art. 3 EVRM in dit verband biedt, vergelijkbaar lijkt te zijn met de uitleg die het Hof van Justitie van de EU heeft gegeven aan art. 15 (c) van de Definitierichtlijn in het arrest Elgafaji (par. 226). Het Hof heeft niet eerder uiteengezet hoe de intensiteit van een algemene geweldssituatie beoordeeld moet worden, maar geeft aan dat de criteria zoals gehanteerd in Britse jurisprudentie, waarin onder meer aandacht wordt besteed aan het aantal burgerslachtoffers en de methoden van oorlogsvoering, geschikt zijn om de geweldssituatie in Mogadishu, de plaats waarnaar wordt uitgezet, te beoordelen (par. 241). Het Hof concludeert op basis van die criteria en divers landenmateriaal dat het geweld in Mogadishu van een dusdanige intensiteit is dat een ieder in die stad, personen met bijzondere connecties mogelijk uitgezonderd, een reëel risico loopt op een met art. 3 EVRM strijdige behandeling (par. 250).

Ten aanzien van een vestigingsalternatief in Zuid- en Centraal-Somalië stelt het Hof vast dat het verblijf in, of reizen door, een gebied dat onder controle staat van de radicale Al-Shabaab een risico op een met art. 3 EVRM strijdige behandeling oplevert (par. 277). Ten aanzien van verblijf in vluchtelingenkampen in Zuid- en Centraal-Somalië stelt het Hof eveneens vast dat, gelet op de overbevolking, ontoereikende voorzieningen, criminaliteit en uitbuiting, zulks een strijd oplevert met art. 3 EVRM (par. 292). Het Hof concludeert ten aanzien van Sufi, wiens oorspronkelijke verblijfplaats onder controle staat van de Al-Shabaab, dat zijn verblijf in Mogadishu of elders in Zuid- en Centraal-Somalië een reëel risico op mishandeling inhoudt (par. 303). Ten aanzien van Elmi stelt het Hof vast dat hij geen bijzondere connecties heeft in Mogadishu of elders in Zuid- en Centraal-Somalië. Het feit dat hij is geboren in het relatief veilige Somaliland acht het Hof niet relevant, omdat het Verenigd Koninkrijk niet voornemens is hem naar Somaliland, maar naar Mogadishu uit te zetten. Hierdoor moet betwijfeld worden of hem toegang en verblijf in Somaliland wordt toegestaan. Omdat moet worden aangenomen dat hij genoodzaakt is zich in Mogadishu of elders in Zuid- en Centraal-Somalië te vestigen, komt zijn verwijdering derhalve ook in strijd met art. 3 EVRM (par. 310-311).
Soort documentAnnotatie
Document finderUvA-Linker