The UvA-LINKER will give you a range of other options to find the full text of a publication (including a direct link to the full-text if it is located on another database on the internet).
De UvA-LINKER biedt mogelijkheden om een publicatie elders te vinden (inclusief een directe link naar de publicatie online als deze beschikbaar is in een database op het internet).

Zoekresultaten

Zoekopdracht: faculteit: "FdR" en publicatiejaar: "2007"

AuteurE. Verhulp
TitelNJ 2007, 449, (BW art. 7:610; Wet verplichte deelneming bedrijfstakpensioenfonds art. 21)
TijdschriftNederlandse Jurisprudentie
Jaargang38
Boek/bron titelBW art. 7:610; Wet verplichte deelneming bedrijfstakpensioenfonds art. 21
Jaar2007
ISSN01650637
RechtscollegeHoge Raad (Civiele Kamer)
FaculteitFaculteit der Rechtsgeleerdheid
Instituut/afd.FdR: Hugo Sinzheimer Instituut (HSI)
SamenvattingOp verzoek van (thans verweerster in cassatie) PGGM, een pensioenfonds waarbij alle werknemers die werkzaam zijn in de zorgsector verplicht zijn aangesloten, is aan (thans eiseres tot cassatie) Thuiszorg Rotterdam, een instelling die onder de werkingssfeer van deze verplichting valt, een dwangbevel overeenkomstig art. 21 van de Wet verplichte deelneming betekend, waarin is bepaald dat Thuiszorg Rotterdam aan PGGM een bedrag dient te betalen van in hoofdsom ƒ 22.301,02. Dit dwangbevel heeft betrekking op een premienota inzake K., directeur en enig aandeelhouder van K. Holding B.V. (beiden verder: K.). Tussen Thuiszorg Rotterdam en K. is een managementovereenkomst gesloten waarbij K. is belast met het feitelijke bestuur van Thuiszorg Rotterdam. Sedert in ieder geval 1 september 1992 verricht K. uit hoofde van deze overeenkomst werkzaamheden bij Thuiszorg Rotterdam in de functie van algemeen directeur. Thuiszorg Rotterdam heeft de kantonrechter verzocht het dwangbevel buiten effect te stellen en een verklaring voor recht gevorderd dat K. niet verplicht is deel te nemen in de PGGM-regeling en dat Thuiszorg Rotterdam niet verplicht is hem daarvoor aan te melden. De kantonrechter heeft de vorderingen toegewezen. Het hof heeft het vonnis van de kantonrechter vernietigd en de vorderingen van Thuiszorg Rotterdam alsnog afgewezen. Het hof heeft, samengevat, overwogen dat sprake is van een gezagsverhouding tussen Thuiszorg Rotterdam en K., zodat aan een van de vereisten voor het bestaan van een arbeidsovereenkomst is voldaan. De genoemde omstandigheden leiden, aldus het hof, tot het oordeel dat sprake is van een arbeidsovereenkomst tussen Thuiszorg Rotterdam en K., waaraan de managementovereenkomst in dit specifieke geval niet in de weg staat. Het cassatiemiddel komt hier tegen op.
Het hof heeft — in cassatie onbestreden — overwogen dat voor de beantwoording van de vraag of K. op grond van de verplichtstelling moet deelnemen in de regeling van PGGM, beslissend is dat de verplichtstelling van PGGM geldt voor degenen die met een thuiszorginstelling een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht hebben gesloten. Het hof heeft dan ook in zijn eindarrest terecht onderzocht of de tussen Thuiszorg Rotterdam en K. bestaande rechtsverhouding voldoet aan de criteria die gelden voor het bestaan van een arbeidsovereenkomst. Die criteria zijn immers zowel van toepassing in het geval partijen erover twisten of tussen hen een arbeidsovereenkomst is gesloten, als wanneer een derde betoogt dat de tussen partijen bestaande rechtsverhouding als arbeidsovereenkomst heeft te gelden. Het hof is op grond van een samenstel van feiten en omstandigheden tot het oordeel gekomen dat tussen Thuiszorg Rotterdam en K. sprake is van een arbeidsovereenkomst in de zin van art. 7:610 BW. Het hof heeft derhalve niet slechts gelet op hetgeen partijen bij het sluiten van de overeenkomst voor ogen stond, maar ook op de wijze waarop zij feitelijk aan de overeenkomst uitvoering hebben gegeven en aldus inhoud hebben gegeven aan het overeengekomene, en heeft in dat verband terecht mede tot uitgangspunt genomen dat voor de beoordeling of tussen K. en Thuiszorg Rotterdam een arbeidsovereenkomst bestond, niet één enkel kenmerk beslissend is, maar dat de verschillende rechtsgevolgen die K. en Thuiszorg Rotterdam aan hun respectieve verhoudingen hebben verbonden, in hun onderling verband moeten worden bezien, gelet op alle ter zake dienende omstandigheden van het geval.
NJ
Soort documentAnnotatie
Document finderUvA-Linker