The UvA-LINKER will give you a range of other options to find the full text of a publication (including a direct link to the full-text if it is located on another database on the internet).
De UvA-LINKER biedt mogelijkheden om een publicatie elders te vinden (inclusief een directe link naar de publicatie online als deze beschikbaar is in een database op het internet).

Zoekresultaten

Zoekopdracht: faculteit: "FdR" en publicatiejaar: "2007"

AuteurE. Verhulp
TitelNJ 2007, 101, (BW art. 7:666; BW art. 7:668a; BW art. 7:680a)
TijdschriftNederlandse Jurisprudentie
Jaargang9
Boek/bron titelBW art. 7:666; BW art. 7:668a; BW art. 7:680a
Jaar2007
ISSN01650637
RechtscollegeHoge Raad (Civiele Kamer)
FaculteitFaculteit der Rechtsgeleerdheid
Instituut/afd.FdR: Hugo Sinzheimer Instituut (HSI)
SamenvattingWerkneemster, thans verweerster in cassatie, is bij haar voormalige werkgever in dienst getreden als oproepkracht winkelbediende, waarbij een arbeidsovereenkomst is gesloten voor bepaalde tijd voor de duur van drie maanden. Aansluitend zijn werkneemster en de voormalige werkgever een nieuwe arbeidsovereenkomst aangegaan voor de duur van negen maanden. De voormalige werkgever is daarna failliet verklaard. De curator in zijn faillissement heeft de arbeidsovereenkomst met werkneemster rechtsgeldig opgezegd. Thans eiseres tot cassatie heeft het bedrijfsonderdeel waar werkneemster voorheen werkzaam was uit de faillissementsboedel overgenomen. Eiseres tot cassatie heeft werkneemster daarna op grond van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd voor de duur van zes maanden in dienst genomen. Aansluitend hebben partijen een arbeidsovereenkomst voor de duur van één jaar gesloten. Eiseres tot cassatie heeft werkneemster vervolgens medegedeeld de arbeidsovereenkomst niet te willen verlengen. Werkneemster heeft bij de kantonrechter kort gezegd veroordeling gevorderd van eiseres tot cassatie om haar tot haar werk toe te laten op straffe van een dwangsom en tot (door)betaling van haar loon. Werkneemster heeft aan haar vorderingen onder meer ten grondslag gelegd dat eiseres tot cassatie de opvolgende werkgever is op grond van art. 7:662 e.v. BW, dat ingevolge art. 7:668a BW de opeenvolgende arbeidsovereenkomsten bij elkaar moeten worden opgeteld en dat dan sprake is van een dienstverband van meer dan 36 maanden, zodat zij voor onbepaalde tijd in dienst is van eiseres tot cassatie. De kantonrechter heeft de vorderingen afgewezen. In hoger beroep heeft het hof de vorderingen grotendeels toegewezen. Het hof heeft geoordeeld dat de laatstelijk gesloten arbeidsovereenkomst als een overeenkomst voor onbepaalde tijd geldt, zodat deze niet van rechtswege is geindigd. Verder heeft het hof geoordeeld dat voor de door eiseres tot cassatie gevraagde matiging van de vordering tot doorbetaling van loon geen grond bestaat, aangezien het in dit geval niet gaat om een vernietigbare opzegging. Hiertegen wordt in cassatie een tweetal klachten gericht.
In art. 7:666 BW wordt art. 7:668a lid 2 BW niet uitgesloten van toepassing op de overgang van een onderneming indien de werkgever in staat van faillissement is verklaard en de onderneming tot de boedel behoort. Anders dan het middel tot uitgangspunt neemt, is toepassing van art. 7:668a lid 2 BW naar tekst en strekking van die bepaling niet beperkt tot de in het middel bedoelde gevallen waarin, kort gezegd, opvolging van werkgevers wordt misbruikt bij de hantering van tijdelijke arbeidsovereenkomsten. Aan de in het tweede lid van art. 7:668a BW voorgeschreven overeenkomstige toepassing van de in het eerste lid bepaalde omzetting in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, staat in een geval als het onderhavige niet in de weg dat de curator de arbeidsovereenkomst van werkneemster met de voormalige werkgever regelmatig heeft opgezegd. Ingevolge art. 7:680a BW is de rechter slechts bevoegd om een vordering tot doorbetaling van loon te matigen indien deze is gegrond op de vernietigbaarheid van de opzegging van de arbeidsovereenkomst (vgl. HR 26 maart 2004, NJ 2004, 322, rov. 3.3) of daarmee op een lijn te stellen gevallen van het ontbreken van een rechtsgeldige opzegging (vgl. HR 23 september 2005, LJN AU 1807; JOL 2005, 511). Anders dan het middel betoogt, is er geen grond voor (overeenkomstige) toepassing van deze bepaling op een geval als het onderhavige, waarin in geschil is of een arbeidsovereenkomst van rechtswege is afgelopen.
NJ
Soort documentAnnotatie
Document finderUvA-Linker